Pagina's

Eric-Emmanuel Schmitt




Eric-Emmanuel Schmitt (1960) is de meest gelezen, meest vertaalde en meest gespeelde Franse schrijver van dit moment. Binnenkort verschijnt Het kind van Noach, het laatste verhaal uit zijn romancyclus over religies. Eerder schreef hij de indrukwekkende boeken Meneer Ibrahim en de bloemen van de koran en Oscar en Oma Rozerood. Verhalen over de relatie van de ene mens tot de ander en tot de religie.

Schmitt is niet alleen romanschrijver, ook als toneelschrijver maakt hij furore. In zijn ‘Cyclus van het onzichtbare’, een viertal boeken over de grote wereldgodsdiensten: jodendom, christendom, islam en boeddhisme, beschrijft Schmitt op ontroerende en eenvoudige wijze de verschillende geloven. In weinig zinnen weet Schmitt veel te vertellen. Schmitt zelf is gelovig, maar hij gelooft in een God zonder religie. Zoals hij zegt in een interview in De Standaard: ‘Mijn geloof is geen vaststaande waarheid, geen rationele zekerheid. Ik besef dat het slechts een manier is om antwoord te geven op de vragen. Ik verzet me tegen een denken waaruit alle hoop verdwenen is en doet alsof religie ons niets meer te vertellen heeft.’



http://www.vpro.nl/programma/ram/afleveringen/22038184/items/22244261/

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------

www.eric-emmanuel-schmitt.com In cache 

----------------------------------------------------------------------------------------------------------







Een deerniswekkende God op Freuds sofa 

Malpertuis brengt Nederlandse première van 'De bezoeker' van Eric-Emmanuel Schmitt

In 'de Bezoeker' (1993) van de Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt vindt Freud een onbekende, dandy-achtige mijnheer op zijn sofa die beweert God te zijn....

FREUD: 'Hoe is uw naam? . . . De naam van uw vader?'
de Onbekende: 'Ik heb geen vader.'
Freud: 'Uw voornaam.'
de Onbekende: 'Niemand noemt mij bij een voornaam.'
Freud: 'Wie zijn uw ouders?'
de Onbekende: 'Ik heb geen ouders.'
Freud: 'Zijn ze dood?'
de Onbekende: 'Ik ben wees van geboorte.'

Er ligt een mysterieuze man op Freuds beroemde sofa, zijn antwoorden stellen de psychoanalyticus voor een raadsel. Het is toch al zo'n verwarrende avond, die 22ste april 1938. De Gestapo heeft zojuist een inval gedaan in zijn Weense huis en zijn dochter Anna meegenomen. De stokoude, doodzieke Freud - hij is 82 en lijdt aan kaakholtekanker - blijft wanhopig achter. Dan staat deze merkwaardige vreemdeling voor zijn neus die weigert zich bekend te maken. Is hij een gek? Maar waarom kent hij dan Freuds intiemste gedachten en kan hij zowel in het verleden als in de toekomst kijken? Of is hij God zelf, zoals hij beweert?

Of Hij het werkelijk is, laat de Franse toneelschrijver Eric-Emmanuel Schmitt (36) in zijn toneelstuk De Bezoeker uit 1993 slim in het midden. In de tekst noemt hij hem de Onbekende en dicht hij hem een elegant uiterlijk toe: 'Rokkostuum, handschoenen, cape, wandelstok met knop, men zou zeggen een dandy die uit de opera komt.' De Onbekende zegt tegen Freud dat hij zich heeft geïncarneerd. 'Amusant, dit gezicht, toch?', vraagt hij. 'Ik heb mij de kop laten maken van een acteur die geboren zal worden na uw dood.'

Het idee voor de gefingeerde ontmoeting kreeg de schrijver toen hij op een avond naar het nieuws zat te kijken. Zoveel ellende moet God wel deprimeren, dacht hij. En met wie kan Hij erover praten? Zo vormde zich het beeld van God, liggend op de sofa van Freud. Het is een deerniswekkende God. 'Ik heb alles', zegt hij. 'Ik ben alles, ik weet alles (...) ik kan zelfs niet in iets geloven, behalve in mijzelf (...) Weet je wat dat betekent, God zijn? De enige gevangenis waaruit je niet ontsnapt.'

Schmitt baseerde zijn stuk op historische feiten. Na de komst van de nazi's was Freud als jood in Wenen zijn leven niet zeker. Wegens zijn aanzien in de wetenschappelijke wereld kreeg hij niettemin de kans ongestoord het land te verlaten - mits hij een verklaring ondertekende voor de Gestapo dat hij door hen met alle égards was behandeld. Freud weigerde aanvankelijk. Maar een paar maanden later, in juni, vertrok hij alsnog.

Het is die ommekeer die de schrijver toont in zijn toneelstuk. We zien hoe de Gestapo Freuds huis binnenvalt en de boel overhoop haalt. Freud zegt ironisch: 'We gaan erop vooruit. In de Middeleeuwen zouden ze mij verbrand hebben; nu verbranden ze alleen maar mijn boeken.' Nadat Anna is gearresteerd, tekent hij uiteindelijk het schandelijke formulier en voegt hij er een cynisch postscriptum aan toe: 'Ik kan iedereen de Gestapo van harte aanbevelen.'

Door de klassieke opbouw past het stuk in de traditie van het Franse blijspel, al gaat het over complexe zaken die het publiek aan het denken zetten. Schmitt huldigt de stelregel van Molière, die beweerde dat het voornaamste doel van het theater behagen is. De tekst is toegankelijk, geestig en verlangt een lichte toon. Zo vraagt Freud waarom zijn bezoeker niet naar een pastoor is gegaan, of naar een rabbijn. Waarop de Onbekende antwoordt: 'Niets is vervelender dan een gesprek met een bewonderaar. Bovendien (...) dat soort is er zo aan gewend voor mij te spreken, op te treden in mijn naam (...) ik heb eerder het gevoel dat ik hen in de weg sta.'

God en Freud zijn tegenstrijdige personages, ze geloven niet eens in elkaar. Freud verwerpt elke vorm van religie als een illusie, een poging van de mens de vader uit zijn kindertijd 'de hemel in te projecteren'. Hij houdt het liever bij de werkelijkheid, zoals het een wetenschapper betaamt. God daarentegen weet dat die werkelijkheid betrekkelijk is.

Zelf blijft God een ongrijpbare figuur. Hoe bedrieglijk echt het gesprek op toneel er ook uitziet: je wordt als toeschouwer steeds op het verkeerde been gezet. Zo lijkt het er even op dat de bezoeker een psychiatrische patiënt is, er is immers ene Walter Oberseit gevlucht uit het naburige gesticht. Maar als die is opgespoord en de jongeman zich nog steeds in Freuds kamer bevindt, ga je opnieuw twijfelen aan zijn identiteit. Is hij soms Freuds alter ego die figureert in een droom? Anna herkent hem als de man die haar elke middag volgt en naar haar glimlacht. De Onbekende zelf zegt: 'Iedereen projecteert op mij het beeld dat hem past of dat hem obsedeert: Ik ben al blank geweest, zwart, geel, met baard, kaal, met tien armen (...) en zelfs vrouw'

Het stuk heeft overal een ongekend succes. Sinds de Parijse opvoering in september 1993 wordt het vrijwel onafgebroken gespeeld, inmiddels in vijftien landen. Vanaf volgende week is de voorstelling, vertolkt door het Vlaamse gezelschap Malpertuis, in Nederland te zien.

Sam Bogaerts, sinds twee jaar artistiek leider van Malpertuis, vertaalde het stuk en speelt zelf Freud. In oktober is een tweede enscenering te verwachten in het vrije circuit, geregisseerd door Peter Oosthoek met Henk van Ulsen als de geheimzinnige bezoeker en Eric Schneider als Freud.
In het kantoor van Malpertuis in het Vlaamse Tielt vertelt Sam Bogaerts dat van Ulsen even op de nominatie stond om bij hen Freud te spelen. 'Hij kon niet. Nu ben ik dus Freud, maar ik ben eigenlijk veel te jong. Je zou er een breekbare acteur van in de tachtig voor moeten hebben. Maar waar vind je die?'

Om zich beter met zijn rol te identificeren heeft Bogaerts een grote knobbel op zijn wang geplakt. 'Freud was al zo vaak aan die kaak geopereerd, dat zijn gezicht behoorlijk gehavend was. Zelfs zijn lievelingshondje moest niets meer van hem hebben, zo ondraaglijk was de stank van rottend vlees. Toch bleef hij roken, van die vieze, dikke sigaren.'

De Onbekende wordt bij Malpertuis gespeeld door Robby Cleiren, ooit een leerling van Bogaerts op het Antwerpse Conservatorium. Cleiren: 'God spelen was een onmogelijke taak. Iemand van wie je toch veronderstelt dat hij de belichaming is van het goede, dat is zo ontzettend moeilijk. Vandaar dat ik zei: ''Laten we maar aannemen dat hij de tweelingbroer is van Walter Oberseit, die ontsnapte gek.'' Dan ben je uit de problemen en kun je hem in principe alles laten doen.'

De Vlaamse voorstelling is geregisseerd door een jonge Sloveense, Tanya M. Zurda. Het is haar eerste regie. Behoudens kleine scènische toevoegingen houdt zij zich strikt aan de tekst. Bogaerts: 'Die tekst is een enorme steun. Het verhaal krijgt steeds een andere wending, daar hoef je als acteur niets voor te doen, dat krijg je cadeau. Deze schrijver is echt een talent, hij beheerst het métier en heeft iets te melden. Die combinatie is zeldzaam.'

Schmitt won in 1994 drie Molières, Franse toneelprijzen. Zijn productie mag er zijn: voor De bezoeker schreef hij De nacht van Valognes, over Don Juan die zelf het slachtoffer blijkt van een ongelukkige liefde. Golden Joe kwam vorig jaar uit en zijn recentste stuk, Variations Enigmatiques, over het mysterie van de liefde, verleidde zelfs een oudgediende als Alain Delon weer op de Parijse planken te gaan staan.

Dat Schmitt filosofie heeft gestudeerd, is te merken. Behendig laveert hij langs alle valkuilen die het ten tonele voeren van God met zich meebrengt. Hij laat God als mysterie intact, zodat hij gelovigen geen munitie in handen geeft. Toch is bij Malpertuis de eerste protestbrief al binnen, van een dame uit Breda die er schande van spreekt.

In een interview zegt de schrijver dat hij in dit stuk zijn eigen vragen en twijfels heeft verwerkt. Hoe kunnen we na Auschwitz nog geloven in God? Freud vraagt zijn bezoeker zich te verantwoorden voor het kwaad in de wereld. Kan hij de nazi's niet tegenhouden? De Onbekende antwoordt dat hij de mens vrij heeft geschapen, 'vrij voor zowel het goede als het kwade, anders betekent vrijheid niets'.
Hij kan niet ingrijpen, 'anders had ik simpelweg automaten gemaakt'. Hij heeft wel weet van de gruwelen die op handen zijn, maar het enige wat hij Freud kan aanraden is: 'U gaat vertrekken. Neem zoveel mogelijk mensen mee. Red ze.'

Niet alleen God op het toneel is riskant, ook Freud dient met de nodige voorzichtigheid te worden gespeeld. Bogaerts: 'Wij wilden vooral dat hij menselijk zou zijn. Een legende op het toneel is niet interessant. Hij valt af en toe door de mand, is pretentieus en houdt vast aan zijn zekerheden. Maar hoe hij zich ook keert tegen religie, hij zou in zijn hart wel willen geloven. Je ziet hem twijfelen in het gesprek. Misschien is het wel een heel diepe wens van iedereen om te geloven, hoe wetenschappelijk gericht je ook bent.'

Het mooie vindt Bogaerts dat dit stuk weer ruimte geeft aan het mysterie. 'De postmoderne filosofen hebben ons het beeld opgedrongen van een absurde wereld die van toevalligheden aan elkaar hangt. Maar met een absurde, dus zinloze wereld komen we niet erg ver. Deze schrijver laat een kleine mogelijkheid open dat er iets of iemand is die alles heeft gemaakt. We twijfelen allemaal wel eens, zeker zullen we het nooit weten. Het is hoogmoed om te denken dat we alles kunnen zien.'

De Bezoeker, van 19 tot en met 22 februari in De Brakke Grond, Amsterdam. Tournee tot en met 17 maart. Op 25 februari om 20 uur is Eric-Emmanuel Schmitt te gast in het Café Litéraire van het Haagse theater Branoul.

 https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/een-deerniswekkende-god-op-freuds-sofa-malpertuis-brengt-nederlandse-premiere-van-de-bezoeker-van-eric-emmanuel-schmitt~b2e22bd9/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 
 
 

God of gek op bezoek bij Freud

“Indien gij dan niet wakker wordt, zal Ik komen als een dief, en gij zult niet weten, op welk uur Ik u zal overvallen” (Openbaring 3, vers 3). 'Wie bent u?' vraagt de psycho-analyticus Sigmund Freud aan de onbekende man, die opeens in de vensterbank van zijn werkkamer staat.

'U bent of ziek of een dief.'
'Of is er nog een derde mogelijkheid?', vraagt de onbekende hem geamuseerd.
Anderhalf uur later verdwijnt de vreemdeling langs dezelfde weg waarlangs hij gekomen is. Freud wil hem niet laten gaan.
'Laat u mij alleen?'
'Ik heb u nooit alleen gelaten.'
'Ga niet door het raam, niet als een dief,' roept Freud hem nog wanhopig na. Maar, 'hij is weg, de rotzak...!'

Was het een aan grootheidswaanzin lijdende gek, Freuds alter-ego of was het toch God?
Eric-Emmanuel Schmitt, de schrijver van het inmiddels ongemeen succesvolle toneelstuk 'De Bezoeker' zet de toeschouwers steeds opnieuw op het verkeerde been. Ze deinen mee op de wisselende gemoedsgolven van de verstokte atheïst Freud die zich, ondanks zijn heilige geloof in de suprematie van de rede, af en toe laat verleiden God heel dicht bij te laten komen om daarna onmiddellijk weer zijn toevlucht te zoeken bij het vertrouwde ongeloof. “Het beest in mij wil wel geloven, maar de geest niet. De geest raakt verdoofd, dat is gevaarlijk voor de waarheid.”
De historische context van 'De Bezoeker' is het Wenen van 1938. Het is 22 april. De 82-jarige Freud. gekweld door kaakholtekanker, zit achter zijn bureau. Zijn dochter Anna leest, gezeten op de beroemde sofa van haar vader. We horen straatrumoer, soldatenlaarzen, geschreeuw; de nazi's zijn na de Anschluss heer en meester in de Oostenrijkse hoofdstad. Anna praat op haar vader in, probeert hem te overreden een verklaring te tekenen dat hij geen klachten heeft over de Gestapo. Hij is weliswaar een jood, maar een beroemde. Daarom mag hij Wenen verlaten, als hij tenminste dat gewraakte formulier tekent. Dan valt er een Feldwebel van de Gestapo binnen; Anna wordt meegenomen voor verhoor. Freud blijft vertwijfeld en vol angst achter. Zal Anna niets overkomen? In die dreigende, angstige atmosfeer verschijnt de onbekende bezoeker. Freud schrikt, raakt vervolgens geïrriteerd en wil van de man af. “Je bent te laat, mijn geld is op en als je voor een consult komt, kun je een afspraak maken voor over acht weken.” De man antwoordt hoogst onverwacht: “U gaat weg uit Wenen, u gaat naar Londen, naar Melville Gardens om uw boek over Mozes af te schrijven, 'Mozes en het monotheisme'.”

“Maar dat boek heeft helemaal nog geen titel!” roept Freud.
'U zult Wenen missen,' zegt zijn mysterieuze bezoeker, “U weigert al maanden weg te gaan.”
“Dat is mijn optimisme,” probeert Freud.
“Nee, dat is nostalgie. In Wenen ligt uw jeugd. In Londen zult u een oude man zijn.”
Freud is in verwarring gebracht en geboeid geraakt - het begin van een meeslepende, intrigerende dialoog, met een schitterend taalgebruik en vol humor. Steeds opnieuw probeert Freud grip te krijgen op zijn bezoeker. 'Wie bent u?' 'U gelooft mij toch niet.' 'Wat is uw voornaam?' 'Niemand noemt mij ooit bij mijn naam.' 'Hoe is de naam van uw vader?' 'Ik heb geen vader.'

Dan probeert Freud zijn bezoeker te hypnotiseren om hem zo aan de praat te krijgen. Weer vraagt hij: 'Wie bent u.' De bezoeker beantwoordt de vraag niet maar begint over zijn jeugd te vertellen, toen hij een jongetje was van vijf jaar oud.

Freuds ongeloof begint te wankelen, maar even later vindt zijn aangetaste ongeloof weer vaste grond in de mededeling van de Feldwebel, die weer even langskomt, dat er uit de nabijgelegen inrichting een gek is ontsnapt, Walter Oberseit. De bezoeker: 'Dacht u nu werkelijk dat ik Hem was?' Freud, in opperste verwarring: 'Ja, ik wankelde.' En even later: 'Walter Oberseit, houd toch op voor God te spelen.' Waarop de bezoeker opnieuw verwarring sticht: 'U gelooft liever in Walter Oberseit dan in God.' En zo gaat het door, anderhalf uur lang. Een flitsende dialoog over eeuwigheidsvragen. Over de zin van het leven. Over geloof en rede. Over een God, die het kwaad geen halt toeroept en daarom ter verantwoording moet worden geroepen, ofwel niet bestaat. 'Ik ben alleen zichtbaar voor u, vanavond.' De God, of de gek, die Freud op bezoek krijgt, lijkt op de God van de achttiende-eeuwse filosoof Pascal. Het idee van Pascal, dat God niet afwezig is, spreekt Schmitt sterk aan. In een interview begin dit jaar zei de schrijver: “Hij is er in de vorm van vragen. God blijft verborgen omdat hij de vrijheid van de mens om wel of niet te geloven respecteert. De mens beslist over het bestaan van God. Zo heeft God hem gemaakt. God is niet afwezig, en ook niet absurd, maar een mysterie. Als men mij vraagt: 'Geloof je in God?', dan antwoord ik: 'Ja, ik twijfel in God. God is voor mij geen object van zekerheid, evenmin een object van wanhoop. Ik zie God als de belofte van zingeving.”

Eric-Emmanuel Schmitt (36) studeerde filosofie, voordat hij toneelschrijver werd. “Ik moest me eerst geestelijk voeden. Het was ideeëngymnastiek, net zoiets als akkoorden studeren op de piano. (...) De filosofie heeft mij de woorden en de middelen gegeven om iets te zeggen over de vragen die ik me over het leven stel.” Dat religie Schmitt blijvend boeit mag blijken uit zijn huidige bezigheid: hij werkt aan een filosofische detective over de 'moord op Jezus'. Het boek zal nog dit jaar uitkomen en gaat waarschijnlijk 'Het evangelie volgens Pilatus' heten. Zijn succesvolle toneelstuk 'De Bezoeker' -God boeit weer mateloos en op grote schaal - wordt inmiddels in zo'n twintig landen opgevoerd. In Frankrijk won Schmitt er in 1994 drie Molières mee, de grote Franse toneelprijzen.

Hoewel Schmitt bij het schrijven een jong, dandy-achtig figuur voor ogen had voor de rol van de onbekende bezoeker, wordt deze in de Nederlandse versie van het stuk gespeeld door Henk van Ulsen - monument van het Nederlandse toneel, maar wel al boven de zeventig. Schmitt heeft de Nederlandse uitvoering gezien en vertelde Van Ulsen na afloop dat hij 'de oudste God' is die tot nu toe in zijn stuk heeft gespeeld.

Zowel Van Ulsen als Eric Schneider, ook al zo'n coryfee van het Nederlandse toneel, spelen hun God en hun Freud overtuigend. Ze maken het stuk tot een juweel op de planken.

https://www.trouw.nl/nieuws/god-of-gek-op-bezoek-bij-freud~b2ee0b98/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ 
 

Meer Witz dan Geist, dat is kennelijk toch Frans; Gesprek met toneelschrijver Eric-Emmanuel Schmitt

De toneelschrijver Eric-Emmanuel Schmitt was met zijn stuk 'Le Visiteur' de grote ontdekking van het Franse theater. In dat stuk krijgt de oude Sigmund Freud God op de divan - maar of het God wel is blijft het hele stuk onzeker. Nu speelt in Parijs Schmitts stuk 'Variations Enigmatiques', waarvoor Alain Delon voor het eerst in dertig jaar weer het toneel op ging. “Een serieus verhaal vertellen en toch licht van toon blijven, dat is de kunst.”
'De bezoeker' van Eric-Emmanuel Schmitt door Theater Malpertuis, regie Tanya M. Zurda. De Brakke Grond, Amsterdam. 19 t/m 22 febr. Daarna tournee. Inl. 020-6266866.




Het is 22 april 1938, de 82 jaar oude Sigmund Freud, gepijnigd door keelkanker, ijsbeert door zijn werkkamer aan de Berggasse 19 in Wenen. De Gestapo heeft net zijn dochter Anna meegenomen en Freud staat op het punt een verklaring te tekenen dat hij geen klachten heeft over de Duitse bezetters na de Anschluss van Oostenrijk. Het is de voorwaarde voor een veilige aftocht naar Londen. Freud walgt. Dan staat God op de vensterbank.

Het gegeven van Eric-Emmanuel Schmitts tweede toneelstuk Le Visiteur (De Bezoeker) zit vol mogelijkheden. Het Opperwezen blijft een zeldzame verschijning in de schouwburg. In de tekst staat het aangeduid als 'De Onbekende'. Wij in de zaal denken al snel dat dat God is en verkneukelen ons bij de gedachte dat Hij op de bank van de beroemde psychoanalyticus moet plaatsnemen. Maar zo eenvoudig gaat het niet. Het consult komt nooit echt op gang. Sterker nog, is het God wel? Af en toe vergeet je de vraag, het stuk is te meeslepend geschreven, bijna met de ambachtelijkheid van een klassiek Engels blijspel.

In zijn Noordparijse werkkamer, met een piano, een viool en een zwarte poes die thuis is op zijn bureau, vertelt de 36-jarige Eric-Emmanuel Schmitt enthousiast over de verbluffende stroom werk die hij heeft afgeleverd: “In Le Visiteur moet je je blijven afvragen: was het God of een gek? Was het een droom? Dertig jaar heeft men gezegd dat de wereld absurd en zinloos was. Dat was de boodschap van mensen als Sartre, Beckett en Camus. Volgens mij is de wereld niet absurd en zonder zin, zij is mysterieus. De structuur van dit stuk is in essentie bedoeld om dat te vertellen. Als je zegt: 'o, dat is God en dat is de nazi, of de ontsnapte gek', dan valt de spanning weg.”

De spanning valt niet weg. De eerste Franse opvoering van Le Visiteur (in het Petit Théâtre de Paris) was snel en hilarisch, met periodes van plotselinge ernst en ontregeling. De handeling is concreet en raadselachtig tegelijkertijd. De held van de psychoanalyse (prachtig gespeeld door Tristan Garrel) leed namens ons rationalisten onder het zichtbaar worden van onvermoede lagen van de geest.
Toen Le Visiteur eind september 1993 in première ging, zaten er de eerste avond vier mensen in de zaal. De tweede avond ging het al beter: vijf bezoekers. Anderhalve maand heeft dat geduurd. Schmitt dankt de Heer op zijn blote knieën dat het een vrije produktie was: “Als het gesubsidieerd theater was geweest hadden ze de opvoering volgens de planning na een maand beëindigd en had niemand het stuk gezien. Nu werd het, met vertraging, een succes bij de beroepskijkers die we met moeite naar binnen hadden gelokt. Op hun goede kritieken volgde de doorbraak.”

Toneelontdekking

Sindsdien is het stuk vrijwel onafgebroken gespeeld, eerst meer dan 300 keer in Parijs, daarna op tournee in Frankrijk en intussen in ongeveer twintig landen, waaronder Argentinië, Japan, Polen, Groot-Brittannië, Uruguay, Canada, Duitsland en Spanje (in het Catalaans en het Castilliaans). Een Vlaamse produktie van Sam Bogaerts gaat 18 januari in Oostende in première, en komt 19 februari naar Amsterdam voor een Nederlandse tournee. Schmitt won in '94 drie Molières, de grote Franse toneelprijzen, voor 'Toneelontdekking van het jaar', 'Beste Auteur' en 'Beste Voorstelling in de vrije sector'. Van de tekst (uitgave Actes Sud Papiers) zijn meer dan 30.000 exemplaren verkocht, veel voor toneel van een nieuwe auteur. Van zijn roman La Secte des Egoïstes (uitgeverij Albin Michel, 1994) zijn 15.000 exemplaren verkocht; er komt een pocketversie van. Het is het bizarre verhaal van een speurtocht naar de beeldschone Hollandse Normandiër die in de achttiende eeuw een filosofische school oprichtte die de leer van het zuivere egoïsme verbreidde. De held waant zich gaandeweg de Heer zelve en komt in uiterst filmbare passages dramatisch aan zijn eind. Gesteund door het vertrouwen dat de grote uitgeverij Albin Michel in Schmitt stelt - zijn wisselende recettes worden hem in de vorm van een zorgenvrij maandsalaris betaald - werkt hij aan een nieuwe roman die in 1997 uitkomt. Het boek, een filosofische detective over de bekendste moord in de geschiedenis, gaat waarschijnlijk L'Evangile selon Pilate ('Het evangelie volgens Pilatus') heten.

Eric-Emmanuel Schmitt wist al heel lang dat het toneel zijn bestemming was. Zijn ouders waren beiden gymleraar, in de buurt van Lyon. Het waren meer sport- dan toneelmensen, maar zijn moeder hield ervan haar zoon te belonen als hij goed had gewerkt. Zo mocht hij op zijn achtste mee naar Cyrano de Bergerac, van Edmond Rostand. Schmitt: “Die Cyrano was een absolute schok voor mij. Ik heb voor de eerste keer gehuild om verdriet dat niet het mijne was. Ik heb belangeloos gehuild, om een kunstwerk nog wel. Plotseling zag ik dat je kunt houden van verdriet. Als ik een stuk schrijf, dan geef ik vorm aan mijn angsten, mijn rouw.  (Zie scène over de neus.)

“De tweede schok die me aanzette om toneelschrijver te willen worden was een schoolvoorstelling van Antigone van Anouilh. Ik speelde de Eerste Wachter, de enige menselijke rol, een beetje een populist, de vertegenwoordiger van het gezonde verstand. De zaal lag krom. Ze zeiden na afloop dat ik alles had gedaan om de lachers op mijn hand te krijgen, ik zou zelfs tekst erbij hebben verzonnen. Dat was trouwens ten dele waar, maar ik was gepikeerd door de verwijten. Om te bewijzen dat ik Anouilh niet nodig had om een tekst te schrijven, heb ik toen, op mijn zestiende, in een weekend mijn eerste stuk geschreven. Zeven weken later hebben we het gespeeld, met decors en kostuums en alles. Het heette Grégoire, ou pourquoi les petits pois sont verts ('Grégoire, of waarom doperwten groen zijn'). Ik was erg beïnvloed door wat we op school lazen, Ionesco, Obaldia en Beckett, het theater van het absurde. Het ging over seks, Grégoire wil weten waar de kinderen vandaan komen en tracht daar achter te komen in de vorm van een doperwtenonderzoek.”

Piano

Eric-Emmanuel Schmitt ging filosofie studeren om toneel te kunnen schrijven. “Ik moest me eerst geestelijk voeden. Het was ideeën-gymnastiek, net zoiets als akkoorden studeren op de piano. Ik was reuze naïef. Ik bewonderde mensen als Sartre, Giraudoux en Jules Romain, die allemaal op de École Normale Supérieure hadden gezeten. Dus ik moest ook naar de École Normale Supérieure. Sartre was filosoof. Dus ik moest ook filosoof worden. Ik had geen ongelijk, ik heb er een hoop van opgestoken, ik moest rijpen, groot worden..”

Andere mensen groeien op door een wereldreis te maken.
“Ik ben ouder geworden op mijn kamer. Ik wilde me ontdoen van te algemene ideeën. Ik wilde alles lezen om daarna te weten wat ik zelf vond.”

Wat heeft u het meest geïnspireerd, de filosofie of het leven?
“De filosofie heeft me alleen woorden en middelen gegeven om wat te zeggen over de vragen die ik me over het leven stel. Twee jaar geleden vroeg ik me af wie nu op kerstdag naar mijn stuk toe gaan. Na afloop van de voorstelling kwam een paar van in de vijftig naar me toe. Het bleek dat die mensen maanden hadden gespaard om elkaar als kerstcadeau twee kaartjes te kunnen geven. Ze bedankten me dat ik onder woorden had gebracht waar zij mee rondliepen. Dat is een immense beloning. Want je neemt een verantwoordelijkheid op je met een toneelstuk. Je moet iets schrijven waar spelers en publiek elkaar in kunnen ontmoeten. Dat is een kwestie van ambachtelijkheid, zorg voor het werk en zorg voor de ander. Angelsaksische schrijvers denken meer aan hun publiek. In Frankrijk is men zo snobistisch.”

Nederlanders denken vaak dat Fransen arrogant zijn.
“Duitsers denken dat ook. Bent u het er mee eens?”, vraagt de schrijver. Soms wel, maar ik wil het niet geloven, antwoord ik. Schmitt, met zijn volle- maansgezicht, dat altijd gereed lijkt om in gieren uit te barsten: “Fransen hebben op het ogenblik angst voor vriendschap. Zij zoeken de schijn van warmte, hebben liever de pretentieloosheid van de liefde dan echte vriendschap, de schijn van vriendschap in plaats van echte betrokkenheid, zij onderhouden seksuele betrekkingen in plaats van grote hartstocht. Toen ik als docent filosofie (aan de Universiteit van Savoie. MC) een paar jaar geleden nog dagelijks met studenten te maken had was ik ook zo. De wereld is niet zo teder meer. Je bent allemaal bang voor de hardheid van het bestaan.”

Schmitt beleefde veel plezier aan zijn eerste stuk, het komisch-romantische La Nuit de Valognes (verschenen bij Actes Sud). Na een respectabele serie voorstellingen in de Comédie des Champs Elysées in Parijs (seizoen '91/'92), werd het onder de titel Don Juans Trial in 1995 in Milwaukee opgevoerd en begin 1995 door de Royal Shakespeare Company (RSC) in Stratford-upon-Avon. De schrijver: “Ik weet heel goed dat het tekortkomingen heeft, maar negentig voorstellingen is niet niks. Het was geweldig om het door de RSC te zien spelen, zij aan zij met Woyzeck, ik was vereerd. De voorstelling was zeer Engels, minder elegant dan in Parijs, - ik merkte dat Fransen meer op het uiterlijk spelen. Die Britse actrices waren niet fijnbesnaard, maar des te professioneler. In Stratford was de hele voorstelling sneller, concreter.

“De buitenlandse opvoeringen hebben me duidelijk gemaakt dat ik niet helemaal Frans schrijf. In Frankrijk schrijven wij over het algemeen Duitser dan Frans. We hebben de gewoonte tragische tragedies of komische komedies te schrijven. Beide doen me niks. Je kunt beter de genres mengen. Een serieus verhaal vertellen en toch licht van toon blijven, dat is de kunst. Ik ben veel in Londen geweest, dat blijft het vaderland van het Europese toneel. Daar heb ik veel geleerd. Soms vind ik het jammer geen Engels toneelschrijver te zijn. Schrijvers slagen er daar keer op keer in populair theater te maken. Bij Franse auteurs is dat zeldzaam, de groten daargelaten. Molière en Racine zeiden al: 'Theaterkunst is de kunst van het behagen'. Zij hechtten veel waarde aan het plezier van de toeschouwer. Ze spraken op verschillende niveau's, vertelden een verhaal en lieten tegelijk iets gebeuren. In het Franse toneel van tegenwoordig bekommert men zich daar niet meer zo om. Na Ionesco en Beckett was Obaldia de laatste met succes bij een groot publiek.”

Lichtheid

Nu zijn er Eric-Emmanuel Schmitt en Yasmina Reza, wier stuk Art - 'Kunst' bij het Noord Nederlands Toneel - in veel landen wordt gespeeld. “In Frankrijk vindt men dat ik te Angelsaksisch schrijf. Er zijn acteurs geweest die rollen in een van mijn stukken om die reden hebben geweigerd. Die vinden het onvoldoende cartesiaans en zijn bang dat de zaal het niet begrijpt. In Wenen, Zwitserland, Duitsland en de Engelstalige landen heb ik geleerd dat ik ook typisch Frans ben, gelukkig maar. Wat de oude, zieke Freud in Le Visiteur meemaakt met de Gestapo, is tragisch, het is zwart, maar de mensen komen glimlachend de zaal uit. Dat soort lichtheid, meer Witz dan Geist, dat is kennelijk toch Frans.”

De toekomst zag er voor Schmitt na het mislukken van zijn derde stuk Golden Joe vorig jaar lang niet zo rooskleurig uit als nu. De omslag kwam dit najaar toen Schmitts vierde stuk, Variations Enigmatiques, in de lommerrijke omgeving van het presidentiële Elysée-paleis in première ging. Op de gevel van het Marigny-theater en in alle bladen staat levensgroot de naam van filmster Alain Delon, die in 1968 voor het laatst op de planken heeft gestaan. Hij speelt de dragende rol van de Nobelprijswinnende schrijver Abel Znorko, die zich heeft teruggetrokken op een Noors eiland. Wanneer hij een nietige journalist (perfect gespeeld door Francis Huster) ontvangt voor een vraaggesprek, ontwikkelt zich tussen de twee mannen een serie herkenningen die hun onderlinge positie ingrijpend verandert. Het stuk - net als de vorige lang overdacht, maar in een paar dagen geschreven - zit ijzersterk in elkaar. Vanaf de eerste dag in september was het uitverkocht. Het ontroert, ook al maakt de ster-attractie Delon de gefaseerde aftakeling van de hautaine schrijver eigenlijk niet waar. Daarom knaagt de vraag of zijn naam de enige manier was om een tweede flop te voorkomen?

Schmitt lacht met een vleugje samenzwering in de ogen: “Ik heb veel respect voor Delon. Hij geeft de waarheid van een gewond man gestalte. Hij heeft met zijn complete overgave aan de rol veel weerklank gevonden. Hij is met alle geweld aanwezig. De voorstelling is een evenement geworden, daar ben ik hem dankbaar voor. Tegelijkertijd heeft hij het stuk gegijzeld, het is zijn stuk geworden. Misschien heeft hij iets herkend in het personage dat zich ontwikkelt van een brutale egoïst die geen tegenspraak duldt tot een gebroken man, die tederheid zoekt en bij wie meer reserves aan liefde tot uitdrukking komen. Hij heeft zich in ieder geval in de rol gestort en gaf er vlees en bloed aan.”
Op de avond in november dat Delon 61 werd speelde Schmitt bij verrassing 'Happy Birthday' op het toneel, waar voor het stuk toch al een vleugel stond. De schrijver heeft net een cd opgenomen, niet met Enigma Variations, maar met andere muziek van Edward Elgar, voor piano en cello. Het verzoek daartoe vloeide voort uit zijn bezoek aan het boekenprogramma van Bernard Pivot, waar hij Elgar speelde. Schmitt heeft solfège en muziektheorie aan het conservatorium van Lyon gevolgd. Hij speelt iedere dag twee keer een half uur, regelmatig begeleid door een andere piano. “Ik lees en speel, voor mijn plezier. Studeren heb ik alleen voor die plaat gedaan. Muziek is voor mij belangrijk, muziek vertelt mij wat ik denk. Ik hou niet speciaal van piano, de piano helpt me om de muziek te lezen, het is mijn muzikale bril. Mijn meest intieme waarheid uit zich via muzikale herinneringen.”

U moet een uitgebreide bibliotheek muzikale flarden in uw hoofd hebben.
“Dat is ook zo. Ik slaap in met muziek. Mijn dierbaarste gedachten zijn muzikaal. Ik werk aan een grote gekostumeerde muziekfilm voor Studio Canal Plus over het leven van Fanny Mendelssohn. Maar ik ben niet in staat muziek te creëren. Ik ben een mislukte musicus. Dus schep ik in mijn taal, dat is vooral het theater. Ik ga nog wel romans schrijven. Bepaalde dingen kun je alleen in een roman zeggen. Maar spontane invallen zijn bij mij theater-situaties. God op de divan bij Freud. Dat beeld stelde me in staat te zeggen waar ik mee rondliep. Ik had het filosofisch kunnen verwoorden, maar ik doe het liever in een stuk, dat heeft meer dramatische lading, meer kans op humor, uitgelaten vrolijkheid, ik kan mezelf meer verrassen met toneel.”

Encyclopedie

In februari probeert Schmitt het Parijse publiek (in het Théâtre Montparnasse) te verrassen met een nieuw stuk: La folle journée de Denis Diderot. Het is volgens de schrijver 'een snelle komedie' waarin de grote achttiende-eeuwse filosoof (waar zijn proefschrift al over ging) een rustige dag op het land ziet verworden tot de waanzinnigste uit zijn leven. Een verleidelijke schilderes is net begonnen aan zijn naaktportret als Diderots bediende het nieuws brengt dat Rousseau het beloofde artikel voor deel 8 van de grote encyclopedie (van Diderot en d'Alembert) niet af heeft. Diderot besluit zelf het ontbrekende artikel te schrijven. Terwijl zijn vrouw, zijn maîtresse en andere vrouwen hem van zijn werk houden, probeert de filosoof een definitieve zedenleer te formuleren.

Het is niet uitgesloten dat ook dit stuk de vraag zal oproepen die sinds Le Visiteur te horen is: leuk en aardig, maar hoe diep is Schmitt eigenlijk? De geadresseerde wordt er niet zenuwachtig van. “Men zegt soms dat ik een dilettant ben, een grappenmaker. Er zit onder de humor natuurlijk een serieuze inhoud. Die ziet niet iedereen. Ik schrijf op verschillende niveau's. Bij Le Visiteur bijvoorbeeld, bestaat de eerste laag uit de anekdote, het verhaal. De tweede laag is de discussie waarin God dichterbij komt en weer verder weg raakt. Ik voel me verwant met de filosofie van de achttiende-eeuwer Pascal: het idee dat God niet afwezig is. Hij is er in de vorm van vragen. God blijft verborgen omdat hij de vrijheid van de mens om wel of niet te geloven respecteert. De mens beslist over het bestaan van God. Zo heeft God hem gemaakt. God is niet afwezig, en ook niet absurd, maar een mysterie. Als men mij vraagt: 'Geloof je in God', dan antwoord ik: 'Ja, ik twijfel in God'. Twijfel is iets positiefs.”

Op de vraag of hij bezig is het ware geloof te ontdekken, antwoordt Schmitt eerst bijna bevestigend: “De filosofie heeft me op de drempel van het geloof gebracht. Het is denkbaar te geloven. Ik vraag me van alles af over religie. Ik heb het boeddhisme bestudeerd, het judaïsme, de islam, in mijn studeerkamer en door met mensen te praten. Het christendom heeft me het meeste gebracht.” Maar dan, op de vraag of hij gezien zijn concentratie op 'het mysterie' de rooms-katholieke kerk dicht is genaderd: “Ik ben beslist niet rooms-katholiek. Religie is voor mij geen instituut maar een levende relatie. Ik ben ook geen protestant, maar wat me aanspreekt in het protestantisme is de verhouding tussen het individu en de teksten. Er zit in allerlei opzichten een absolute rechtvaardigheid in de Reformatie. Ik ben geïnteresseerd in religie zonder kerken. Ik heb vrienden die priester zijn, praktiserende joden, noem maar op, maar over kerken ben ik erg streng. Kerken hebben zich de zaak van God toegeëigend. Zij hebben God veel kwaad gedaan omdat zij institutionele belangen hebben gekregen, politiek zijn geworden. Zij hebben belang bij macht gekregen.

“De problemen van God en de moraal zijn individueel. Het gaat om een levende relatie met het mysterie. Daarover ondervraag ik God permanent. God is voor mij geen object van zekerheid, evenmin een object van wanhoop. Ik zie God als de belofte van zingeving. Ik ben geen bekeerde, dat is me onmogelijk.

“Wat je in Variations Enigmatiques ontdekt is dat degene die je liefhebt een mysterie is. Je moet zo ver komen dat je de ander moet liefhebben in dat mysterie. Dat wil zeggen dat je moet doorgaan met liefhebben terwijl de kans bestaat dat je bedrogen wordt. De ander, degene die zijn armen voor je opent is ook degene die weer weg kan gaan. Je moet een voldoende rijk gevoel voor de ander zien te krijgen dat je hem kunt liefhebben zonder dat je hem ooit zult bezitten. Liefhebben zonder illusies. De liefde voor God of voor een ander, iedere keer ga je om met een mysterie. Dat is de eenheid in Le Visiteur en Variations Enigmatiques. Het ene stuk is openlijk theologisch, het andere openlijk psychologisch. Maar alle twee zijn een manier om te zeggen: je gaat om met het mysterie, van God, van de ander.”

https://www.nrc.nl/nieuws/1997/01/03/meer-witz-dan-geist-dat-is-kennelijk-toch-frans-gesprek-7337374-a83142

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Malpertuis doet recht aan Schmitts 'De Bezoeker'

Voorstelling: De bezoeker van Eric-Emmanuel Schmitt door Theater Malpertuis. Regie: Tanya M. Zurda. Spel: Sam Bogaerts, Robby Cleiren, Arnaud Jacobs, Hilde Wils. Gezien: 19/2, Brakke Grond, Amsterdam. Aldaar t/m 22/2. Tournee t/m 17/3. Inl. (020) 6264545.











De boekenkast is een suggestie van zichzelf: de planken eindigen aan één kant abrupt in het niets. Dat doet ook de houten vloer onder het massieve bureau. Een in keurige stukken geknipte kelim dient her en der als overige vloerbedekking, één stuk hangt over de beroemde divan. Dat meubelstuk, met rode velours overtrokken, heeft trouwens de vorm van een mond, een zinnelijke sculptuur in een voor het overige stofnesterig fin de siècle-interieur.

Uit het decor van Patrick Durwael zijn de benadering van regisseur Tanya M. Zurda maar ook het stuk van Eric-Emmanuel Schmitt perfect af te lezen. De bezoeker, Schmitts eerste officiële toneelwerk uit 1993, was in zijn geboorteland Frankrijk en in de vijftien landen waar het tot nu toe werd opgevoerd direct een groot succes. Filosoof van huis uit, schreef Schmitt het stuk naar aanleiding van een televisiejournaal; de gedachte dat God erg gedeprimeerd moest raken van alle gemelde ellende vermengde zich met het beeld van de getraumatiseerde Schepper op de sofa van Freud. De confrontatie van twee personages die niet in elkaar geloven, werd het uitgangspunt van zijn stuk, dat zich afspeelt in Freuds werkkamer in Wenen op een avond in april 1938, enkele weken na de Anschluss en anderhalve maand voordat de bejaarde, aan kaakholtekanker lijdende grondlegger van de psycho-analyse naar Parijs vlucht.

Schmitts stuk toont het moment, waarop Freud - dodelijk verontrust omdat de nazi's zijn jongste dochter en oogappel Anna hebben meegenomen - terugkomt op zijn voornemen voor niets en niemand te vluchten. Hij krijgt bezoek - van De Bezoeker. De onbekende, die niet kan of wil zeggen wie hij is, blijkt alles te weten over Freuds verleden én toekomst. Er ontstaat een verbaal steekspel tussen gast en gastheer dat net zo goed reëel kan zijn als een vorm van introspectie van de aan zijn lot overgelaten en vertwijfelde Freud.

Die ongewisheid, het grijs waarvan de toeschouwer zelf moet uitmaken of hij naar werkelijkheid of verbeelding kijkt, is de kracht van Schmitts stuk, te samen met de wonderlijk laconieke woordkeus, waarmee de gruwelen van de tijd worden besproken. Subtiel en langzaam sijpelt in het onwrikbare wetenschappelijke bewustzijn van de Weense neuroloog het besef door dat er misschien meer is tussen hemel en aarde dan het waarneembare en de daaruit afgeleide analyse alleen. Zodanig dat hij, als zijn geheimzinnige gast aan het slot wil verdwijnen zoals hij gekomen is - door het raam - uitroept: “U gaat niet door het venster naar buiten, zoals een mens, zoals een flessentrekker. U verdwijnt hier, onder mijn ogen!”

Spel en enscenering van theater Malpertuis respecteren Schmitts vaak even komische als filosofisch getinte grijsschakeringen. Terecht koos Zurda voor uit het lood hangend realisme. De kleding van de nazi (Arnaud Jacobs) is een slechts in de verte aan een uniform herinnerend ratjetoe, zijn verbeten vernielzucht ten aanzien van de boeken in huize Freud wordt onderstreept door een uit de lucht vallende chaos van papieren. Robby Cleiren speelt De Bezoeker, misschien God zelf, als een neurotische drift- en pestkop, die als de vragen hem te gortig worden, doodleuk uit de hypnose stapt en Sam Bogaerts (met kankergezwel op de wang) vermengt zijn twijfel heel mooi met in het geheel niet aan de orde zijnde gelatenheid.

Alles is vreemd en ontregelend: deze versie maakt van De bezoeker even goed een cultuurpessimistisch tractaat als een onschuldig, vrolijk ogend sprookje. Dat is kwaliteit.

 https://www.nrc.nl/nieuws/1997/02/20/malpertuis-doet-recht-aan-schmitts-de-bezoeker-7343281-a464376

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------