Pagina's

Yasmina Khadra


 Yasmina Khadra, Les Vertueux - Mialet-Barrault Éditeurs

 

De Lammeren Gods

NAAMLOOS TEGEN DE BARBARIJ

De Franstalige Algerijnse literatuur van dit moment wordt geschreven `contre l'oubli', tegen het vergeten. Ieder boek heeft een politieke lading. Woede, angst en verdriet bepalen stijl en toon. Als er ooit uit noodzaak is geschreven, dan wel door de huidige generatie Algerijnse auteurs. Schrijven betekent hoop op verandering.


In een van zijn provocerende kronieken in het Algerijnse dagblad El Watan, bedankte de jonge journalist Y.B. op een cynische manier de GIA, de gewapende islamitische strijdende groepen die partij zijn in de oorlog in Algerije: `Hartelijk dank, GIA. Dankzij u zijn de Algerijnse journalisten en schrijvers beroemd geworden.' Dat wil zeggen, hun dood heeft hen beroemd gemaakt. Sinds het begin van de burgeroorlog in 1992 werden er ongeveer vijfenzeventig journalisten vermoord.

Veel intellectuelen trof hetzelfde lot en een groot deel van de schrijvers leeft inmiddels in ballingschap. `Algerijn zijn is al een gevaarlijk vak', schreef Y.B. in de inleiding van zijn inmiddels gebundelde kronieken Comme il a dit lui (1999) `maar Algerijns journalist zijn is een tautologie voor vroeg sterven. Als we de keus hadden waren we ook liever hotdogverkoper in Sri Lanka of dolfijnentemmer in de Kalahari. Maar goed, misschien zal de geschiedenis zich die paar pennenlikkers herinneren, die zonder vangnet boven het Algerijnse massagraf balanceren, en die ervan getuigen dat de islamistes doden en plunderen, dat de machthebbers stelen en bedriegen en dat de burgers sterven om nooit meer op te staan.'

Getuigen - dat lijkt het eerste doel van de dertigjarige Y.B. De journalist behoort, zoals hij zelf zegt, tot de 'génération massacre et Coca-Cola', wier toekomstperspectief gereduceerd was tot de keuze tussen `flic ou terroriste'. Zijn felle columns in El Watan ondertekende hij voorzichtigheidshalve alleen met zijn initialen. Vijf maanden becommentarieerde Y.B. met giftige pen de dagelijkse verkrachtingen, verdwijningen en moorden, gepleegd door de verschillende gewapende legers. Brutaal, met snijdende, zwarte humor stelde hij de corruptie en de zakkenvullerij van het regime aan de kaak. Totdat hij namen noemde van hoge militairen achter de schermen en hen opriep het Algerijnse volk serieus te nemen: `Algerije is een land met burgers ``qui vont vous manger en salade' als u doorgaat schijt aan hen te hebben.' Met het openlijk noemen van namen van hoge militairen overschreed de journalist een grens. Zijn arrestatie haalde de internationale pers - `daar dank ik mijn leven aan', zei Y.B. later in interviews - en sinds 1998 verblijft hij in Frankrijk, waar hij, tot voor kort, alleen verborgen achter een Mickey Mouse masker aan openbare debatten durfde deel te nemen.

Het dilemma waarvoor Y.B. zich geplaatst zag - vluchten of onderduiken - is een keuze die veel landgenoten vóór hem hebben moeten maken. Onlangs ging op het Internationale Filmfestival van Rotterdam de nieuwe film van zijn in Nederland wonende landgenoot Karim Traïda in première. Les diseurs de vérité (De sprekers van de waarheid), is een mooie documentaireachtige film die de innerlijke verscheurdheid en de doodsangst van een door het regime onder druk gezette hoofdredacteur indringend weergeeft. Wat hij ook doet (blijven en in een lijk veranderen of vertrekken naar een onpersoonlijk bed in een Nederlands asielzoekerscentrum) - in beide gevallen wordt hij monddood gemaakt.

De verscheurdheid tussen enerzijds de liefde voor het land en anderzijds de angst voor het regime en voor de dood is een terugkerend thema in de Algerijnse literatuur van de laatste jaren. In zijn vijftiende roman, Het leven op zijn plaats, beschrijft de Algerijnse schrijver Rachid Boudjera in feite precies hoe het leven van Traïda's hoofdredacteur eruit zou hebben gezien als hij had besloten te blijven. Boudjera, die zowel in het Frans als in het Arabisch publiceert, koos ervoor in Algerije te blijven, ondanks het feit dat zijn naam in 1983 op de dodenlijst werd geplaatst. Enkele jaren later richtte hij het Algerijns Comité voor de Rechten van de Mens op. Zijn onlangs in het Nederlands vertaalde boek is een associatieve, autobiografische roman over een schrijver die door de fundamentalisten ter dood is veroordeeld.

Boudjera analyseert het verschijnsel angst in al zijn facetten - lichamelijk en geestelijk. Hoe voelt het om ieder moment van de dag aan je toekomstige marteling te denken? Om alleen nog vermomd de deur uit te kunnen? Om al je zintuigen voortdurend op scherp te hebben staan? Het is voor ons, westerse lezers, gewend aan boeken over liefdesverdriet of relatieproblemen, niet bepaald dagelijkse kost. Zwart realisme is bij ons niet en vogue. Als je, in een Algerijnse roman, valt over wat te clichématige beelden, overbodige herhalingen of een warrige stijl, bekruipt je al snel het gevoel dat het eigenlijk onfatsoenlijk is literaire oordelen los te laten op zo'n inhoudelijk onverdraaglijke tekst. Bij ieder boek moet je je in feite afvragen of de auteur een literaire ambitie heeft of niet meer dan een document over de actualiteit heeft willen schrijven. Het eerste is bij Boudjera het geval, het laatste geldt voor Y.B.

Terwijl romanciers de gruwelijkheden van de dagelijkse werkelijkheid in Algerije beschrijven, buigen essayisten, politicologen en historici - die grotendeels in ballingschap verblijven - zich over de vraag `hoe het in Algerije allemaal zover heeft kunnen komen'. De afgelopen tijd verscheen er een keur aan boeken die, uit verschillende invalshoeken, de geweldsexplosie trachten te verklaren. In Les violences d'Algérie bijvoorbeeld, een bundel eerder in het tijdschrift Esprit gepubliceerde artikelen, wordt de nadruk gelegd op de lange traditie van geweld die het land kent, op de rol van de taal en van buitenlandse mogendheden die belang hebben bij goede economische relaties met het land waarvan de olierijkdom bijna onuitputtelijk lijkt.

Een scherp en kritisch boek is ook La nouvelle guerre d'Algérie, geschreven door Kjallal Malti, een journalist van Reporters sans frontières. Malti schroomt niet de militaire clans binnen Algerije ervan te beschuldigen ten eigen bate een dictatuur in stand te houden. Het buitenland, en Frankrijk in het bijzonder, roept hij op - eindelijk - zijn verantwoordelijkheid te nemen. Honderddertig jaar kolonisatie en een bloedige vrijheidsstrijd hebben tot op de dag van vandaag pijnlijke littekens achtergelaten in de relatie tussen Frankrijk en Algerije. Bij iedere actuele gebeurtenis, zoals een paar weken geleden bij het Forum over de Holocaust in Stockholm, spelen oude haat- en schuldgevoelens weer op. Wie was er, tijdens de Algerijnse vrijheidsoorlog, bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de razzia in Parijs, waarbij Algerijnen in de Seine verdwenen?

Opvallend genoeg blijkt uit beide genoemde boeken, dat, ondanks alles, ook na de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 de sterke economische en culturele banden met Frankrijk intact bleven - al werd het Frans als officiële taal vervangen door het klassieke Arabisch. Alle vormen van kunst - literatuur, toneel, film - moesten van de ene op de andere dag in de taal van de Koran worden gemaakt. Ook het onderwijs diende in die taal te worden gegeven - een klap in het gezicht van de bevolking, die grotendeels Arabisch, berbers of dialecten als het kabylisch spreekt.

Tijdens de drie decennia van het socialistische eenpartijstelsel (1962-1988) zorgde de taalverordening en de censuur ervoor dat literaire Franstalige schrijvers hun werk buiten de Algerijnse grenzen moesten publiceren - veelal in Frankrijk. In 1988 kwam het Algerijnse volk voor het eerst massaal in opstand tegen de zelfverrijking van de machthebbers en tegen de alom heersende corruptie. De opstand werd bloedig neergeslagen, maar zou uiteindelijk leiden tot de algemene verkiezingen van 1991, die werden gewonnen door het FIS (Front Islamique du Salut). Deze overwinning werd gevolgd door een staatsgreep van het oppermachtige leger, dat zijn privileges, macht en rijkdom veilig wilde stellen. Een aantal Europese landen, waaronder Frankrijk, steunde stilzwijgend het bewind - het fundamentalisme als bedreiging voor de wereldvrede. Na de staatsgreep van 1992 begonnen de aanslagen van de kant van het AIS (Armée Islamique du Salut), het GIA (Groupes Islamiques Armés) en andere intégristes - groeperingen met als gemeenschappelijk doel de jihad, de verwezenlijking van een 'république islamique' in Algerije. Vooral politieagenten, staatsveiligheidstroepen en Franstalige intellectuelen waren het doelwit van de aanslagen, waarop veel schrijvers, acteurs en dramaturgen hun vaderland verlieten.

Dat er de laatste jaren, binnen de grenzen van Algerije, nauwelijks sprake is van enig cultureel of literair klimaat zal geen verbazing wekken. Boeken - over welk onderwerp dan ook - zijn onbetaalbaar en buitenlandse kranten of tijdschriften zijn er niet te krijgen. Toch heeft het nieuwe regime van President Bouteflika wel enige hoop gewekt. Voor het eerst sinds elf jaar bijvoorbeeld vond vorig najaar in Algiers weer een boekenbeurs plaats, de Foire d'Alger, die ook bezocht werd door een aantal grote Franse uitgevers. Commercieel gezien begrijpelijk, aangezien Algerije vóór 1988 Frankrijks grootste buitenlandse afzetmarkt was. Maar ook paradoxaal, als je bedenkt dat de Algerijnse literatuur voor het grootste deel in het Frans wordt geschreven en in Frankrijk wordt gepubliceerd. `In het Frans geschreven verhalen over Arabische strottensnijders lopen lekker', sneerde een Algerijnse journaliste onlangs nog in de Libération.

Feit is dat uitgevers wel brood zien in sensationele verhalen over onderdrukte vrouwen in een ver, exotisch land. Schrijfsters die consequent bouwen aan een literair oeuvre, zoals Assia Djebar en Malika Mokeddem, proberen de in Europa heersende stereotypen over de Algerijnse vrouw te doorbreken. Haar onderworpenheid, zo laten zij zien, is niet ontstaan tijdens de periode van het kolonialisme en valt ook niet alleen op het conto van de fundamentalisten te zetten. Eeuwenlang hebben inheemse familietradities de vrouw onderdrukt. Ook in Les violences en Algérie wordt betoogd dat de `code de la famille', die alle macht aan de man toebedeelt en de vrouw monddood maakt, op een lange mediterrane traditie stoelt. Tegelijkertijd is - in bijna iedere roman - juist de vrouw de motor van verandering. Zo probeert de hoofdpersoon uit Het meisje uit de Kasba van de in Parijs wonende schrijfster en journaliste Leila Marouane, uit alle macht het traditionele lot van de vrouw te ontlopen - zij slaagt er maar gedeeltelijk in.
Wie de Algerijnse literaire productie van de laatste paar maanden doorneemt, ontkomt niet aan een week gevoel in zijn maag. Moorden, martelingen, verkrachtingen, ontvoeringen en aanslagen bepalen de intriges van de meeste romans. Literatuur als spiegel van de maatschappij, als getuigenis, als schreeuw om internationale aandacht. De schrijver als wanhopige, als verstotene, als roepende in de woestijn. Het geweld, dat door de jarenlange binnenlandse onlusten een 'gebruikelijk' verschijnsel is geworden in het dagelijks leven van de `gewone' Algerijn, speelt in de literatuur een hoofdrol. Geweld van de kant van de islamistes, de intégristes, de ninjas, de maquis, zoals de nauwelijks uit elkaar te houden strijdende partijen worden aangeduid, maar ook van de kant van de staatsveiligheidsdienst, de services militaires. Van welke kant eigenlijk niet, vraag je je als lezer vermoeid af, als het zoveelste slachtoffer de keel wordt doorgesneden. Niemand is meer te vertrouwen. Niemand is wat hij lijkt.

Dat geldt opvallend genoeg ook voor een van de, in Frankrijk, meest succesvolle schrijfsters van de laatste paar jaar, Yasmina Khadra, die behalve een policier-trilogie, ook twee romans publiceerde - en in een recent interview met Le Monde onthulde een man te zijn. De auteur, die in Algerije woont en om veiligheidsredenen zei anoniem te willen blijven, verklaarde zijn vrouwelijke pseudoniem te hebben gekozen `uit respect voor de vrouw die als eerste in opstand durfde te komen tegen het intégrisme'. Sceptici wijzen erop dat er in de politiebureaus van Khadra wel opvallend weinig geweld wordt gebruikt en menen dat de auteur in werkelijkheid een politiek zeer machtig man moet zijn. Ieder ander zou, menen zij, reeds lang door de veiligheidsdienst ontmaskerd of onder druk gezet zijn.

Feit is dat Khadra, als enige, een voorzichtige poging doet te verklaren waarom Algerijnse mannen zich tot het fundamentalisme aangetrokken zouden voelen - al neemt hij wel afstand van het moorden waar het toe leidt. In De Lammeren Gods schetst de auteur hoe arme, werkloze dorpsbewoners een enorme haat ontwikkelen tegenover allen die het in het dorp traditioneel voor het zeggen hebben: de politie, de burgemeester en de dorpsoudsten. Fanatieke, demagogische, jonge sjeiks zien Sodom en Gomorra in het land opduiken en wijzen in de moskee dagelijks de zondebokken aan: `Onze intellectuelen prostitueren zich bij verderfelijke culturen, onze bestuurders gaan zich te buiten aan allerlei plunderingen, onze vrouwen trekken hun kleren uit naarmate de emancipatie voortschrijdt, en we dwalen tastenderwijs rond in het volle daglicht, verblind door de vlammen van de hel.' Met behulp van veel personages en dialogen weet Khadra aannemelijk te maken dat uit iedere ontevreden, luie donder een moordenaar kan groeien, die zonder mededogen de zwaksten uit de samenleving treft. Van het dorp blijft niets over. In feite, zo suggereert Khadra, vormen de religieuze idealen daarvoor wel de motor, maar niet de oorzaak. Die ligt in de diepgewortelde, generaties lang opgekropte wrok over armoede, sociale achterstand en koloniale onderdrukking.

Wat Khadra suggereert, wordt door Anouar Benmalek in De gescheiden geliefden in een breder perspectief uitgewerkt. Benmalek, hoogleraar wiskunde aan de Universiteit van Rennes en mede-oprichter van het Algerijnse Comité tegen het martelen, gaat verder dan getuigen van hedendaags geweld. Zijn boek is een voortdurend roodkleurend fresco van Algerije vanaf het begin van de twintigste eeuw - een geschiedenisles verpakt in een hartverscheurend liefdesdrama. Wat er nu gebeurt, komt heus niet zomaar uit de lucht vallen, suggereert hij. Het drama heeft een voorgeschiedenis en die is niet louter Algerijns. Benmalek volgt dan ook drie generaties uit één familie, waarbij één van de voorouders ontsnapt aan de jodenvervolging in het vooroorlogse Zwitserland.

Via het opkomende racisme in Europa, Algerije in de koloniale tijd en de moeizame periode daarna, komen Benmaleks historische draden uiteindelijk in het heden bij elkaar. Het is het tijdperk waarin een leven niets meer waard is en waarin men zelfs zijn eigen familieleden niet meer kan vertrouwen. Het verhaal dat Benmalek vertelt grijpt je naar de keel en vrijwel niemand zal in staat zijn het boek in één keer uit te lezen. Het is soms té gruwelijk, té heftig, té gewelddadig. Té dramatisch ook. Waar is de zwarte humor die, zoals in de film van Karim Traïda, de spanning doorbreekt? Waar is het geestige cynisme dat hedendaagse Marokkaanse romans zo leesbaar maakt? In plaats daarvan laat Benmalek op de laatste bladzijde van zijn boek een weeskind per dromedaris naar zojuist gevonden ouders galopperen - een symbolisch sprankje hoop op een vreedzame toekomst.

Waar Benmalek een heldhaftige poging doet om de huidige gebeurtenissen in zijn land netjes in een historische context te plaatsen, valt de in Frankrijk even succesvolle roman van Boualem Sansal het best te vergelijken met een hogedrukketel. Sansal lijkt te schrijven vanuit een immense innerlijke woede, die zich uit in een exuberante, chaotische stijl. Zijn boek is doorspekt met uit de mode geraakte woorden en half-archaïsche uitdrukkingen waarbij ook de gemiddelde Fransman een woordenboek nodig heeft. Om aan zijn boek een schijn van een intrige te geven, roept Sansal een oude inspecteur in het leven die de moord op een zwerver moet zien op te lossen. Maar waar hij het echt over wil hebben, is over de teloorgang van een dorp, de wantoestanden in een klein ziekenhuis, over scholing, corruptie en machtsmisbruik, over hoe zijn land belandde in `une barbarie sans nom'. `Le pays n'a plus de mémoire' - het land heeft geen herinnering, geen geschiedenis meer, schrijft Sansal. Niemand vertelt de jongeren hoe het vroeger was, hoe de mensen toen leefden, welke dromen ze hadden. Niemand legt hun uit waar het mis is gegaan. En waarom.

Uitleggen, vertellen, getuigen, protesteren, om aandacht vragen - de Franstalige Algerijnse literatuur van dit moment wordt geschreven contre l'oubli, tegen het vergeten. Ieder boek heeft een politieke lading, waaraan de literaire ambitie ondergeschikt wordt gemaakt. Woede, angst en verdriet bepalen de stijl en de toon van het boek. Als er ooit par nécessité is geschreven, dan wel door de huidige generatie Algerijnse auteurs. Zoals Sheherazade uit de vertellingen van Duizend-en-één-nacht door moest gaan met verhalen vertellen, om maar niet te hoeven sterven, zo moet de Algerijnse cineast van nu doorgaan met filmen, de acteur doorgaan met spelen en de schrijver doorgaan met schrijven - ook al is het buiten de grenzen van hun land. Schrijven betekent hopen. Hoop op verandering. Hoop op internationale aandacht. Hoop op leven.

Rapports - Het Franse Boek, 1999/1, Littérature algérienne, uitg. Rodopi, is een tijdschrift dat drie keer per jaar verschijnt (ƒ50 per jaar).

Het werk van Assia Djebar en Malika Mokeddem verschijnt in Nederland bij uitgeverij De Geus.
 

http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/recensie/naamloos-tegen-de-barbarij

---------------------------------------------------------------------------------------------


De zwaluwen van Kabul

`Ik dacht: dit overleef ik niet'

De schrijver Yasmina Kharda, pseudoniem van een beroepsmilitair, werd verguisd en met de dood bedreigd om zijn onthullende romans over de Algerijnse burgeroorlog. Maar bang is hij niet. `Wie bang is, wordt juist aangevallen.'
Geharnast is Yasmina Khadra, met een strenge en tegelijk wanhopige blik in de ogen. Achter dat schild verborg hij, als militair in het Algerijnse leger, 36 jaar lang zijn ware identiteit die van schrijver. Khadra wekt, bij al zijn rigiditeit, de indruk dat harnas ook terdege nodig te hebben, omdat hij anders gekwetst, eenzaam en gewond, in losse deeltjes uiteen zou vallen.

In Frankrijk, maar ook daarbuiten, is Khadra omstreden. Bij discussies over Algerije verkondigde hij dat het leger nooit aanslagen op burgers had gepleegd en dat alle bloedbaden het werk waren van fundamentalisten een opinie die door weinigen wordt gedeeld. Het internationaal schrijversparlement, dat hem en zijn gezin onderhield nadat zij uit Algerije waren gevlucht, stopte de toelage en de media zwegen hem voortaan dood. Drie jaar geleden werd hij, tijdens de boekenbeurs in Frankfurt, door de fundamentalisten ter dood veroordeeld. Bovendien werd hij het middelpunt van een literaire polemiek, waarbij men hem ervan beschuldigde niet de auteur te zijn van zijn werk. Bang? ,,Nee. Wie bang is, wordt juist aangevallen.''

Ruim tien boeken publiceerde Khadra, die enkele dagen door Nederland reisde in het kader van de Boekenweek. Zijn eerste titels, onlangs herdrukt, publiceerde hij in zijn geboorteland. Daarna verschenen in Frankrijk drie succesvolle thrillers, met als hoofdpersoon commissaris Llob, en vijf romans waarvan er inmiddels drie in vertaling verkrijgbaar zijn. Zijn deels autobiografische romans spelen, met uitzondering van de laatste, De zwaluwen van Kabul, in het door fundamentalisme en burgeroorlog verscheurde Algerije.

Khadra (1955, pseudoniem van Mohammed Moulessehoul) was negen toen zijn vader, een officier in het Algerijnse leger, hem liet onderbrengen in een militaire kazerne. ,,Mijn vriendjes daar waren wees: ze hadden hun ouders verloren bij de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. Ik begreep niet wat ik daar deed. Ik had een vader en een moeder. Alleen zag ik ze nooit.'' Op zijn tiende begon Khadra te schrijven. ,,Ik zat opgesloten en kon alleen via de literatuur ontsnappen aan de morele en de mentale ellende die ik om me heen zag.''

Ook later, als soldaat, vluchtte Khadra in de literatuur. ,,Ik was een eenzame man. Als ik niet werkte was ik aan het dromen, aan het lezen of het schrijven. Ik heb altijd in twee werelden geleefd, zonder de militair boven de schrijver te stellen of andersom. Was ik in functie, dan vervulde ik mijn taak consciëntieus en met overgave. Als ik schreef liet ik alles uit mijn militaire leven los.'' Schizofreen? ,,Nee, ik heb nooit twee levens tegelijk geleefd. Ik ben soldaat geworden uit liefde voor mijn moeder. Zij wilde dat ik officier zou worden en ik wilde haar niet teleurstellen, ze had al zoveel geleden. In het schrijven vond ik een compensatie voor mijn opofferingen. Toch ben ik er niet in geslaagd mijn moeder gelukkig te maken. Hoewel ik een competent officier was, werd ik bij promoties altijd gepasseerd. Toen ik besloot het leger te verlaten, heeft mijn moeder zich in haar huis opgesloten en sindsdien niemand meer ontvangen. Zij is analfabeet. Ze weet dat ik bekend ben in de wereld, maar dat laat haar koud. Daarmee is mijn leven mislukt.''

Waanzin

Lange tijd wist Yasmina Khadra zich achter zijn pseudoniem (de eerste twee voornamen van zijn vrouw) te verschuilen; in 1999 onthulde de auteur in Le Monde geen vrouw maar een man te zijn, en na zijn vertrek uit Algerije, een jaar later, maakte hij zijn identiteit geheel bekend. ,,Mijn romans schreef ik tijdens de burgeroorlog. Iedere dag verloor ik familie, vrienden, kennissen. Ik ben nooit op roem uit geweest, ik dacht dat ik het niet zou overleven.'' Toch schreef Khadra toen de boeken waarmee hij beroemd werd, De lammeren Gods en Waarvan wolven dromen, een hachelijke onderneming die hem, was men achter zijn ware identiteit gekomen, het leven had gekost. ,,Ik wilde eerlijk zijn'', zegt hij kortaf, ,,eerlijk op intellectueel gebied.''

In beide romans schetst Khadra hoe het fundamentalisme individuen tot waanzin drijft, hoe een van oorsprong vredige samenleving afglijdt en in een afgrond van geweld en terreur verdwijnt, zonder dat er nog een spoor van menselijke waardigheid, respect of liefde overblijft. De lammeren Gods zou je de biografie van een dorpje kunnen noemen. Het leven raakt er op drift, geweld wordt beantwoord met geweld, op het ene exces volgt het andere. ,,Ieders leven wordt vermorzeld als in een dorsmachine.'' In de loop van het boek neemt de dreiging langzaam toe. ,,Nu, kort na de aanslagen in Spanje, voelt iedereen in het Westen ineens ook die dreiging.'' Khadra wordt fel, verheft zijn stem. ,,Mijn boeken gaan over wat ook u hier, in het Westen, zult meemaken als u niet uitkijkt. U reageert verkeerd, u bent alleen verontwaardigd als het Westen getroffen wordt. Zolang de aanslagen plaatsvinden in Irak of in Indonesië zijn het voor u slechts gebeurtenissen die u voor kennisgeving aanneemt. Nu Spanje pas geleden doelwit was raakt het u. Maar ook Algerije ligt maar op een paar uur vliegen van hier! Hebben wij u daar ooit over gehoord? Als u de terroristische plaag wilt bestrijden, zult u zich eerst solidair moeten verklaren met de Arabische landen, met de islamitische volken die al zolang lijden onder het fundamentalisme. Alleen samen met hen kunt u een homogeen, geloofwaardig en hecht blok vormen en de fundamentalisten isoleren. Alleen kunt u niets.''

Steniging

In De zwaluwen van Kabul laat Khadra zien wat er met mensen gebeurt die hun werk, hun huis, hun familie, vrienden en hun zelfvertrouwen kwijtraken. ,,In Afghanistan hebben de fundamentalisten, net als in Algerije, het individu zo geïsoleerd, dat niemand een ander meer zijn vriend durft te noemen. Iedereen denkt dat hij helemaal alleen is. Niemand vertrouwt een ander. Niemand die niet in doodsangst leeft. Dan slaat de waanzin toe. Een zachtzinnige man die nog nooit een wapen heeft gedragen, ziet zichzelf een kei oprapen en deelnemen aan de steniging van een vrouw. De hoofdpersonen in mijn boek worden gek van eenzaamheid en van verdriet.''

In zijn roman heeft Khadra geprobeerd de oriëntaalse vertelling te combineren met de Griekse tragedie. ,,Je kunt De zwaluwen van Kabul lezen als Antigone, maar ook als een oosterse vertelling. De schrijver moet zoveel mogelijk licht brengen in de nacht waarin wij leven. Ik ben fatalistisch genoeg om te beseffen dat ik niet meester ben over mijn lot, maar ik bepaal wel de themas van mijn teksten. Wat ik vertel is wat ik heb gezien in de wereld om mij heen. Mijn stijl is net zo gevarieerd als de waarheid die ik probeer te vatten. Mijn boek is een schreeuw. Let op! Kijk om je heen en zie wat er gebeurt!''
Zelf heeft Khadra, als onderzoeker van bloedbaden in opdracht van het leger, zoveel ellende gezien, zoveel dode kinderen, zoveel verminkte mensen, dat hij geen sprankje licht meer waarneemt. ,,Ik kan nooit meer gelukkig zijn. Zelfs een feest ter gelegenheid van een huwelijk of van een verjaardag verdraag ik niet meer. Na een kort moment ga ik weg. Het is allemaal vals.''

Yasmina Khadra: De zwaluwen van Kabul. Atlas. Vertaald door Floor Borsboom. 159 blz. €18,50


http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/recensie/ik-dacht-dit-overleef-ik-niet

------------------------------------------------------------------------------------------------

L'attentat

De bomgordel van mijn vrouw

Florian Zeller, die zaterdag optreedt op Crossing Border, is een van de Franse auteurs die het moslimfundamentalisme hebben ontdekt als literair thema. De toon van de romans wordt steeds grimmiger.

Steeds meer Franse auteurs cirkelen in hun werk rondom thema's als moslimfundamentalisme, religieus fanatisme en zelfmoordaanslagen. Daar is ook alle reden voor. De banlieues van de grote steden staan in vuur en vlam, er wordt geworsteld met de herinnering aan een koloniaal verleden en gedebatteerd over hoe deze erfenis in de geschiedenisboekjes weergegeven moet worden. Menig bus- en metrogebruiker van de Franse hoofdstad doet een schietgebedje bij het instappen: ook daar is men ervan doordrongen dat het niet de vraag is óf er hier terroristische aanslagen worden beraamd, maar wanneer deze zullen worden uitgevoerd. ,,U kunt wel de andere kant opkijken zolang dit soort aanslagen in Algerije gebeurt of in Arabische landen'', zei de Algerijnse schrijver Yasmina Khadra twee jaar geleden in deze krant, ,,maar ook u hier in het Westen zult ermee te maken krijgen.''


De tegenstellingen tussen christen en moslim worden door Florian Zeller in La fascination du pire (besproken in Boeken, 21.01.05) benaderd met de nodige humor. Hij schetste en passant het scenario dat even later, na de moord op Theo van Gogh, in Nederland werkelijkheid zou worden. De ene auteur gaat voorzichtig onderzoekend te werk, de ander in bittere ernst. De een werpt zich erin met hart en ziel, met huid en haar, bij de ander blijft de rede van Descartes, de filosofische, de beschouwende toon de overhand houden.


Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor Eric-Emmanuel Schmitt die in zijn `cycle de l'invisible' op een heel persoonlijke manier de wereldgodsdiensten onderzoekt. In Milarepa is dat het boeddhisme, in Meneer Ibrahim en de bloemen van de koran de islam en in Oscar en oma Rozerood het christendom. Het derde deel van het vierluik, Het kind van Noach, is het sober vertelde verhaal van een joodse jongen die tijdens de Tweede Wereldoorlog onderdak vindt in het weeshuis van een rooms-katholieke priester. Schmitt stelt, op zijn eigen weloverwogen, melodieuze manier, vragen bij de letterlijke interpretatie van de oude geschriften, kijkt er van een afstandje naar, relativeert en voegt er een eigenzinnige versie aan toe. Zo ontstaat bijvoorbeeld, in de voor het toneel geschreven tekst Mes évangiles, een nieuw evangelie, waarin Schmitt zijn stem geeft aan Jezus, die met vallen en opstaan ontdekt wat zijn rol in de wereld zal zijn, en aan Pilatus, de Romeinse keizer die zich bij Schmitt, in de voetstappen van zijn vrouw, tot een volgeling van Jezus ontpopt. Schmitt verdiept zich al verhalend in de achtergrond, in het verleden, in het overgeleverde woord. Het acute heden komt bij hem slechts zijdelings ter sprake, bijvoorbeeld aan het eind van Het kind van Noach, in een dialoog over stenen gooiende joodse en Palestijnse jongens, vlak nadat een Israëlische tank een Palestijns huis heeft verwoest als reactie op een zelfmoordaanslag.

Spijkers


Gilles Rozier, auteur van Een liefde zonder verzet, en in het dagelijks leven directeur van het Institut d'Etudes juives in Parijs, komt in zijn roman La promesse d'Oslo al veel dichter bij de dagelijkse werkelijkheid. Zijn hoofdpersoon, de Israëlische vrouw Sharon, verliest haar enige zoon Eli bij de actie van een Palestijnse zelfmoordterrorist in een bus. `Degene met de bom onder zijn trui hield zich warm met explosieven en spijkers [...] die diep in de hoofden van de joden moesten dringen, zodat ze zich goed in het hoofd zouden prenten dat ze ons land ontheiligen.' Eli heeft, tegen de wil van zijn vader enkele jaren dienst gedaan in het Israëlische leger, in plaats van zich te melden bij de talmoedschool en de Torah te bestuderen. Hij heeft voor zijn land gevochten, mensen gedood. `Een vijand, twee vijanden, hij wist niet hoeveel, hij had ze niet geteld, je telt geen mensen, joden in ieder geval niet, de Torah zegt dat je geen joden telt, dus Arabieren ook niet, het is beter niet te tellen hoeveel mensen je doodt.' En als er een Arabier wordt gedood, wie heeft het dan gedaan? Er zijn zoveel militairen met een halve maan op hun uniform, `Libanezen, Hezbollah, Djihad, de druzische milities van Walid Kjoumblat, Sjeik Yassin, de Tanzin, de martelaarsbrigade van Al Aksa, Ahmed Amar Djaber Anouar Feisal Sarik, je wist gewoon niet wie het eerst uit zijn slof was geschoten.'


Door de ogen van Sharon roept Rozier de hele onoverzichtelijke politieke en gewelddadige achtergrond op waarvan het Westen slechts de televisiebeelden kent. Tegelijk maakt Rozier tastbaar wat het betekent te leven in die omstandigheden: Sharon wordt door haar man verlaten, moet haar verlies alleen dragen, kan haar wanhoop niet delen. Haar geloof is haar enige richtsnoer, de ruimdenkende rabbi haar enige raadgever.


Schone handen


Het indrukwekkendste boek dat dit najaar over deze thematiek verscheen is zonder twijfel L'attentat van de Algerijnse Yasmina Khadra, een omstreden auteur omdat hij zesendertig jaar als militair in het Algerijnse leger diende. Nadat hij zijn vaderland voorgoed had verlaten, maakte hij zijn ware identiteit bekend: Yasmina Khadra bleken de twee voornamen van zijn vrouw. Er werd verondersteld dat niemand in zo'n bloedige periode van militaire dictatuur in staat was schone handen te houden. Frankrijk weigerde hem een visum, internationale schrijversorganisaties trokken hun subsidies in, fundamentalisten bedreigden hem met de dood. Nu de gemoederen zijn bedaard en Khadra, verbitterd en diep gekwetst, maar met contracten voor een serie romans, in Parijs verblijft, is het juist deze auteur die zich waagt aan een uiterst gevoelig onderwerp – te gevoelig voor een grote literaire prijs. Hoe wordt iemand een terrorist? Wat zijn de drijfveren? Uit welk milieu komt zo iemand?

Khadra, die eerder schreef over terrorisme en fundamentalisme in Afghanistan, waagt zich nu aan het Palestijns-Israëlische conflict en kiest als hoofdpersoon een hardwerkende, succesvolle chirurg, die zo ver afstaat van de politieke situatie van zijn land en zozeer opgaat in zijn vak dat het voor de Westerse lezer eenvoudig is zich met hem de identificeren. Deze chirurg, van Palestijnse afkomst maar tot Israëliër genaturaliseerd, staat urenlang te opereren in een poging de slachtoffers van de zoveelste zelfmoordterrorist te redden. Zijn wereld stort in als hij hoort dat deze kamikaze niemand anders was dan zijn eigen vrouw. Ongeloof, agressie, harde verhoren, opsluiting, mishandeling, ontslag, uitsluiting, buurtterreur zijn het gevolg. Juist omdat deze chirurg ons vanaf het begin zo nabij was, slaagt Khadra erin ons door alle fasen van zijn verhaal mee te nemen. Wij beleven zijn waanzin, verdwijnen in zijn zwarte gat, gaan mee in zijn zoektocht naar de ware identiteit van zijn vrouw en we staan naast hem als hij zegt: `Ik wil alles weten, de hele waarheid.'


Die zoektocht voert naar moskeeën, naar imams, naar marteling en opsluiting, naar vergeten familieleden en, uiteindelijk, naar zijn eigen verdrongen verleden. `Op welke planeet leef jij, meneer Jaafari?' vraagt één van de leiders van de islamisten die hij ontmoet, `Jij zit in je gouden kooitje, je weigert onze hel te zien, dat is je goed recht [...] maar je vrouw is gestorven voor jouw verlossing.' Langzaam vormen we ons een beeld van die andere wereld, die waarvan de chirurg geen benul had, die hem ontging, die hij niet zocht en niet waardevol vond – maar waaraan hij zijn geliefde, en uiteindelijk, zijn leven verloor. Khadra is er, op een meesterlijke manier, in geslaagd een antwoord te formuleren op één van de meest gehoorde wanhoopskreten van vandaag: waarom, in godsnaam?


Gilles Rozier: La promesse d'Oslo. Denoël, 187 blz. €15,–
Yasmina Khadra: L'attentat. Julliard, 268 blz. €18,–
Florian Zeller treedt 19 november op bij het Crossing Border Festival in Den Haag. Zie www.crossingborder.nl. Een Nederlandse vertaling van La fascination du pire verschijnt komend voorjaar bij De Arbeiderspers.
Het werk van Eric-Emmanuel Schmitt verschijnt bij uitgeverij Atlas.
http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/recensie/de-bomgordel-van-mijn-vrouw

-------------------------------------------------------------------------------------------- 

The Attack

een film van Ziad Doueiri

Bloedstollende thriller over de Israëlisch-Palestijnse chirurg Amin die zijn vrouw bij een bomaanslag verliest. Wanneer blijkt dat zíj de aanslag heeft gepleegd, begint Amin zijn gevaarlijke zoektocht naar de waarheid.

Amin Jaafari is een gerespecteerde Palestijnse arts werkzaam in een ziekenhuis in Tel Aviv. Hij heeft zich nooit met het conflict tussen de beide volken willen bemoeien. Tot er op een dag een bom afgaat in het centrum van Tel Aviv. Amin behandelt de slachtoffers en gaat na een uitputtende dag naar huis. Zijn vrouw is niet thuis. Midden in de nacht wordt hij in allerijl teruggeroepen naar het ziekenhuis en blijkt dat zijn vrouw de aanslag heeft gepleegd. Verbijsterd over deze vreselijke daad, besluit Amin uit te zoeken wat zijn vrouw er toe dreef dit te doen. Hij start een gevaarlijke zoektocht naar de mensen die haar rekruteerden. Tijdens zijn queeste komt hij ook zichzelf tegen en ziet zich geconfronteerd met zijn eigen identiteit en denkwijzen.


The Attack is gebaseerd op het boek L'Attentat van Yasmina Khadra en won in 2013 de Dioraphte Film- en Literatuurprijs op het festival Film By the Sea in Vlissingen. De Libanese regisseur Ziad Doueiri werkte eerder samen met Quentin Tarantino aan beroemde films Jackie Brown, From Dusk Till Dawn, Pulp Fiction en Resevoir Dogs.

https://moviesthatmatter.nl/film/attack-the/ 

youtube: The Attack (L'attentat) - Official Trailer (2013) - A Drama Movie HD

 https://www.allocine.fr/film/fichefilm_gen_cfilm=210608.html

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Lire le roman de Yasmina Khadra, L'attentat.

Yasmina Khadra, L'attentat, Pocket, Editions Julliard, 2005, 246 pages.

http://www.yasmina-khadra.com/biblio.php?id=21

 

Yasmina Khadra révèle dans un entretien au Monde des Livres que sous cette identité féminine se cache un homme. Dans L'écrivain, paru en 2001, le mystère est entièrement dissipé. Yasmina Khadra s'appelle de son vrai nom Mohamed Moulessehoul, qui a déjà publié sous ce nom nouvelles et romans en Algérie. Officier dans l'armée algérienne, il a participé à la guerre contre le terrorisme. Il a quitté l'institution en 2000, avec le grade de commandant, pour se consacrer à sa vocation: écrire. Il choisit de le faire en français. Morituri le révèle au grand public. Aujourd'hui écrivain internationalement connu, Yasmina Khadra est traduit en 33 langues.

Prologue (pp. 7-11) : Anticipation (prolepse). Amine est très gravement blessé dans un attentat à la bombe. Il se sent mourir.

 

Situation initiale : Amine Jaafari est un chirurgien réputé (page 26) de Tel-Aviv (page 38) en Israël. Il est arabe,  fils d’une tribu bédouine mais a demandé la nationalité israélienne et l’a obtenue (page13). Il a été victime de discriminations (page 13) et l’est encore (page 21). Mais il est aujourd’hui un modèle d’intégration pour la société israélienne. Il travaille dans un grand hôpital, il est un chirurgien renommé. Il gagne bien sa vie. Il est marié avec Sihem, une arabe palestinienne, avec qui il se sent heureux (page 27). Il est ami avec des Israéliens d’origine juive comme Kim Yehuda (page 60), une collègue médecin qui a été aussi un amour de jeunesse (page15), Ezra Benhaïm, son directeur (page 13) ou encore Naveed Ronnen, un officier de police qui l’a aidé à obtenir la nationalité israélienne.

Chapitre 1 (pp. 13-21) : Amine mène une vie tranquille et confortable. Un drame terrible lié à un attentat va changer totalement sa vie.

 

Le fait perturbateur : Un attentat à la bombe a lieu dans un restaurant (page 17). Un kamikaze s’est fait exploser dans la foule (page 19). Kim et Amine foncent aux urgences pour soigner les blessés.

Chapitre 2 (pp. 23-34) : Amine s’active aux Urgences puis rentre chez lui après de nombreux contrôles policiers. Sihem n’est pas encore rentrée de sa visite chez sa famille palestinienne à Kafr Kanna, près de Nazareth (pages 27, 32). Naveed Ronnen l’appelle (page 29). Il doit revenir à l’hôpital. L’officier lui apprend une nouvelle terrible : le kamikaze, c’est Sihem ! Amine reconnaît le visage de sa femme sur un corps atrocement mutilé (pages 33-34) et s’effondre.

 

Les péripéties (1) : Amine perd tout : sa femme, l’amour de sa vie, sa maison saccagée par des intégristes, son travail à l’hôpital, sa propre dignité dans les interrogatoires incessants et les humiliations. Il pense au suicide mais Kim lui apporte son aide fidèle.

Chapitre 3 (pp. 35-47) : Amine est hébété. Et ses ennuis commencent. La police israélienne perquisitionne chez lui (p. 37). Ses dossiers et son ordinateur sont saisis. Il est interrogé. Amine ne peut pas croire à la culpabilité de sa femme.

Chapitre 4 (pp. 49-57) : Le capitaine Moshé mène un interrogatoire serré pendant trois jours. Sihem a été formellement reconnue comme la kamikaze. Amine n’a rien vu et n’a rien compris. Il est mort de fatigue. Les policiers le libèrent. Naveed le ramène chez lui. 

Chapitre 5 (pp. 59-69) : Sa maison est sens dessus dessous. Kim lui rend visite et tente de le réconforter puis retourne à l’hôpital. Des agresseurs s’introduisent chez lui et le lynchent (pp. 62-63). Le quartier est cerné par des Juifs intégristes (p. 64). Une fois Kim revenue, elle emmène Amine chez elle pour le protéger (p. 64).  Une semaine passe (p. 67). Amine doit payer une amende pour retirer le corps de sa femme et lui donner une sépulture décente (p. 68). De retour chez Kim, il entend une conversation sur l’engrenage de la violence entre Juifs et Palestiniens (p. 69). Il part de chez Kim.

Chapitre 6 (pp. 71- 84) : Sa maison a été saccagée. Il trouve une lettre de Sihem dans la boite aux lettres. Elle a été postée de Bethléem. C’est une lettre d’adieux (p. 74). Maintenant, il sait ! Kim le rejoint. Elle a peur qu’il se suicide (p. 76). Kim emmène Amine chez son grand-père dans une petite maison au bord de la mer (p. 77). C’est un rescapé des camps de la mort (p. 81-84).

Chapitre 7 (pp. 85-97) : Amine ne peut plus retourner travailler. Il retrouve ses amis, Kim et Naveed et discutent dans un petit bar. Naveed tente d’expliquer à Amine ce qui a pu amener sa femme à cet acte terrible (pp. 95-97). 

 

Les péripéties (2) : Amine se lance dans sa propre enquête. Malgré les dangers, il veut comprendre pourquoi sa femme s’est transformée en bombe humaine. Il commence par se rendre à Bethléem d’où elle a posté sa dernière lettre.

Chapitre 8 (pp. 99-110) : Ilan Ros, un collègue médecin, a déclenché une campagne contre la réintégration de Amine (p. 99). Amine ne retournera pas travailler à l’hôpital. Il  veut savoir. Il va aller à Bethléem d’où Sihem a posté sa lettre d’adieux (p. 103). Kim veut l’en empêcher. C’est trop dangereux.

Chapitre 9 (pp. 111-123) : Kim veut l’accompagner à Bethléem (p. 111). Ils traversent Jérusalem et s’arrêtent chez le frère de Kim, Benjamin (p. 112). Malgré l’avis de Kim, Amine part seul en taxi chez sa sœur de lait, Leila, à Bethléem (pp. 113, 114). Leila le reçoit avec bonté mais ne veut rien dire. Elle a peur (p. 116). Amine décide de voir son mari, Yasser. Il n’apprend rien non plus de lui. Yasser a lui aussi très peur (p. 120-123). 

Chapitre 10 (pp. 125-137) :  Adel, le fils de Yasser, possède une Mercedes crème ancien modèle comme celle qui a transporté Sihem le jour de l’attentat (p. 128).  Il apprend aussi par Issam, le petit-fils de Yasser, que Sihem est bien venue chez eux à Bethléem la veille de l’attentat. Elle voulait écrire une lettre. Yasser finit par révéler que Sihem et son fils Adel s’étaient retrouvés le vendredi à la Grande Mosquée. Sihem, comme martyr, avait été bénie par un célèbre imam intégriste, le cheikh Marwan (p. 131). Amine se rend à la Grande Mosquée. Le cheikh ne le recevra pas. Il est menacé par des hommes de main qui lui ordonnent de retourner à Tel-Aviv et d’arrêter là ses recherches.

Chapitre 11 (pp. 139-160) : Amine revient chez benjamin, le frère de Kim, à Jérusalem.  Kim l’attendait. Elle tente de le raisonner. Il arpente la Ville en se rappelant sa jeunesse (pp. 141-142). Il y a  un contrôle de police chez eux (p. 146). Amine retourne à Bethléem et rencontre l’imam Marwan (pp. 147, 149).  L’imam le congédie violemment et le menace. Kim le rejoint à Bethléem. Comme Amine persiste à vouloir rencontrer les membres du mouvement qui ont enrôlé sa femme, il est battu à mort près de la Grande Mosquée (p. 151). Kim le soigne. Yasser reçoit un appel. Quelqu’un rencontrera Amine (p. 151).  C’est un jeune moudjahidin libanais (p. 153). Il explique que Sihem n’appartenait pas à son mouvement mais qu’il admire son martyr et lui dit à nouveau d’arrêter là ses recherches et de retourner à Tel-Aviv. 

 

Les péripéties (3) : Amine et Kim rentrent à Tel-Aviv.  Après un bref passage chez lui, Amine part à Kafr Kanna continuer son enquête. Ce qu’il apprend le détruit encore plus.

Chapitre 12 (pp. 161-180) :  Amine et Kim rentrent Jérusalem puis repartent à Tel-Aviv. Amine veut rentrer chez lui. Kim veut l’en dissuader mais le dépose devant sa maison (p. 167). Il fait le ménage et fait venir un vitrier. Il se rappelle les bons moments qu’il a passé ici avec sa femme. Il trouve des photos récentes de Sihem en compagnie d’Adel à Nazareth. Elle ne lui en avait pas parlé.  Naveed reprend contact avec lui (p. 173). Amine se rend chez sa grand-mère, à Kafr Kanna. Elle a été transportée à l’hôpital à cause d’une hémorragie cérébrale. Abbas, son neveu, est avec elle (p. 177).  En regardant les photos, Abbas confirme avoir souvent vu Sihem avec le garçon. Il pense qu’ils étaient amants (pp. 178-179)…

Chapitre 13 (pp. 181-193) : Amine, anéanti, est retourné à Tel-Aviv. Il a pris une chambre d’hôtel. Amine appelle Yasser pour savoir où se trouve Adel. Il est à Janin. Naveed retrouve Amine et lui déconseille fortement de se rendre à Janin qui est en état de siège. Mais Amine se brouille avec son ami parce qu’il l’a fait suivre depuis Bethléem. 

 

Les péripéties (4) : Amine se rend à Janin, en plein territoire palestinien. Il veut retrouver Adel et savoir enfin.

Chapitre 14 (pp. 195-208) :  Amine découvre Janin comme une ville en guerre. Amine est guidé par son cousin Jamil (p. 200). Ils veulent se rendre chez Khalil, le frère de Jamil, où Adel était hébergé mais ils n’y parviennent pas. Ils passent deux jours à Ramallah puis retournent à Janin. Ils logent dans un hôtel en attendant de se rendre chez Khalil. Un jeune moudjahidin vient le chercher dans sa chambre (p. 203). Il tombe dans un guet-apens. Il est accusé de travailler pour le Shin Beth,  les services israéliens (p. 205). Il est emmené dans le coffre d’une voiture.

Chapitre 15 (pp. 209-226) :  Amine est enfermé dans une cave, menotté et bâillonné pendant 7 jours. Un jeune chef le rencontre enfin et lui explique (pp. 210-213). Pour lui, les Palestiniens n’ont pas d’autre choix que la guerre contre Israël étant donnée la situation misérable dans laquelle on les maintient de force. Il lui rend la liberté. Il peut partir. Adel et son grand-oncle l’attendent dehors. Adel lui dit ce qui s’est passé : Sihem était déterminée. Même l’imam Marwan n’avait pas pu la dissuader. Sihem faisait partie de leur section. Ils tenaient leurs réunions chez elle à Tel-Aviv. Mais jamais ils n’ont été amants. C’était une militante pieuse (pp. 214-216). Amine est soulagé. Son honneur est sauf. Il refait dans sa tête le cheminement de sa femme vers le martyre (pp. 218-222). Son grand-oncle Omr veut le voir. Son petit-fils, Wissam, vient le chercher. Amine croit qu’il en a fini (p. 225). Il va reprendre son travail de chirurgien à l’hôpital.

 

Le fait « régulateur » : un missile israélien tue le cheikh Marwan et tous ceux qui sont autour de lui devant la Grande Mosquée de Janin. Amine lui-même est gravement touché et meurt.

Chapitre 16 (pp. 227-246) :  Il retrouve son grand-oncle Omr avec joie et respect (p. 228). Wissam et sa sœur Faten prennent soin de lui. Il découvre qu’un mur de séparation a été construit dans la propriété par l’armée israélienne (pp. 230-231). Il discute avec Zeev, un vieux juif, qui ne comprend pas non plus pourquoi une telle haine entre leurs deux peules (pp. 232-233). Le grand-oncle Omr fait une grande fête pour Amine (p. 235). 

Amine apprend quelques jours plus tard que Wissam s’est fait exploser dans une voiture contre un poste de contrôle israélien. En représailles, l’armée israélienne vient détruire la maison du grand-oncle Omr à coups de bulldozer. (pp. 237-239). 

Faten, écœurée, part à Janin pour recevoir la bénédiction du cheikh Marwan avant de mourir en martyr (241). Amine tente de la retrouver pour la convaincre de ne pas le faire. Il se rend à la Mosquée où le cheikh doit parler. 

Soudain, quelque chose tombe du ciel et consume tout (p. 244). Il est très gravement blessé. Son esprit divague. Il se rappelle son enfance. Il se souvient des paroles de son père : « On peut tout te prendre ; tes biens, tes plus belles années, l’ensemble de tes joies, et l’ensemble de tes mérites, jusqu’à ta dernière chemise - il te restera toujours tes rêves pour réinventer le monde que l’on t’a confisqué. »

 

Situation finale : Il faut relire les pages 7 à 11 pour comprendre la situation. Amine est en train de mourir. « Dans un dernier soubresaut, je m’entends sangloter… « Dieu, si c’est un affreux cauchemar, faites que je me réveille, et tout de suite..."

https://www.barbeypedagogie.fr/6-ressources-pedagogiques/romans/yasmina-khadra/

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 




Eugene Ionesco





1909-1994

«Volgens mij was het toch wel vreemd het als abnormaal te beschouwen dat iemand zich voortdurend afvraagt wat het universum is, wat zijn situatie is, wat hij hier komt doen, of er werkelijk wel iets te doen valt. Mij leek het juist abnormaal dat de mensen daar niet over nadenken, dat ze zomaar in een soort gedachteloosheid blijven doorleven. Misschien hebben al die anderen, een irrationeel, onuitgesproken vertrouwen dat ooit alles aan het licht zal komen. Misschien breekt ooit voor de mensheid een ochtend van genade aan. Misschien breekt ooit voor mij een ochtend van genade aan» (Citaat uit De Solitair, 1973)


Eugene Ionesco was de zoon van een Roemeense vader en een Franse moeder. Hij brengt zijn jeugd beurtelings in Roemenie en in Parijs door. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lukt het hem om naar Frankrijk te emigreren, waar hij de rest van zijn leven woont. Na enkele jaren wordt hij Frans staatsburger. In 1948 begint Ionesco te schrijven aan La Cantatrice chauve (De kale zangeres) dat voor het eerst zal worden opgevoerd in 1950. Het was verre van een succes. Slechts een handvol intellectuelen waardeerden het en ondersteunden hem. Langzaamaan wordt Ionesco echter steeds bekender en vanaf 1959 ontvangt hij allerlei prijzen en blijken van waardering voor zijn werk. In 1971 wordt hij zelfs opgenomen in de Académie française. 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------- 


In het toneelstuk ’Rhinoceros’ (1959) van Eugène Ionesco zien we hoe mensen geleidelijk en massaal in neushoorns veranderen. Deze absurde gedaantewisseling symboliseert de bekering van het individu tot het totalitarisme van de groep. Uit eigen keus, opportunisme of onder groepsdruk verliezen de personages hun menselijkheid om zich bij de dierlijke kudde te voegen.
http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/1526168/2006/09/13/Ephimenco-Minister-Donner-de-groene-neushoorn.dhtml 

------------------------------------------------------------------------------


Koning Berenger de Eerste is een machtige vorst die regeert over een machtig land. Dat was 500 jaar geleden al zo, dat was vorig jaar zo, vorige maand, vorige week, gisteren en vijf minuten gelden was het niet anders. Zijn rijk telde miljarden mensen, nu blijven er maar een paar tientallen meer over.Ineens is zijn koninkrijk in verval. Is de koning zelf in verval, want over anderhalf uur is hij dood. De Koning Sterft / le Roi se Meurt, en met hem zijn onderdanen, zijn land, het brokkelt af, aan het eind van de voorstelling is er niets meer. Iedereen weet het, iedereen accepteert het, alleen de koning niet, hij verzet zich, hij gaat een gevecht aan met de werkelijkheid, gaat in tegen het onvermijdelijke. 
http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/1248428/2008/04/28/kunst-Bij-mij-geen-grand-guignol.dhtml

-----------------------------------------------------------------------------

Eugène Ionesco, La Cantatrice Chauve, 1950

Het stuk gaat over twee Engelse echtparen die bij elkaar op visite komen. Het ene koppel zijn de Smiths, het andere de Martins. De dialogen zijn absurd. Zo ontdekken de Martins in de vierde scène plots dat ze met elkaar getrouwd zijn. Een kale zangeres komt er niet in voor. Het stuk wordt nog dagelijks opgevoerd in het Parijse Théâtre de la Huchette.



1



5




10




15




20




25




30




35




40




45




50




55

SCÈNE I

«Intérieur bourgeois anglais, avec des fauteuils anglais. Soirée anglaise. M. Smith, Anglais, dans son fauteuil et ses pantoufles anglais, fume sa pipe anglaise et lit un journal anglais, près d'un feu anglais. Il a des lunettes anglaises, une petite moustache grise, anglaise. A côté de lui, dans un autre fauteuil anglais, Mme Smith, Anglaise, raccommode des chaussettes anglaises. Un long moment de silence anglais. La pendule anglaise frappe dix-sept coups anglais.
Mme SMITH
Tiens, il est neuf heures. Nous avons mangé de la soupe, du poisson, des pommes de terre au lard, de a salade anglaise. Les enfants ont bu de l'eau anglaise. Nous avons bien mangé, ce soir. C'est parce que nous habitons dans les environs de Londres et que notre nom est Smith.
M. SMITH, continuant sa lecture, fait claquer sa langue.
Mme SMITH
Les pommes de terre sont très bonnes avec le lard, l'huile de la salade n'était pas rance. L'huile de l'épicier du coin est de bien meilleure qualité que l'huile de l'épicier d'en face, elle est même meilleure que l'huile de l'épicier du bas de la côte. Mais je ne veux pas dire que leur huile à eux soit mauvaise.
M. SMITH, continuant sa lecture, fait claquer sa langue.
Mme SMITH
Pourtant, c'est toujours l'huile de l'épicier du coin qui est la meilleure...
M. SMITH, continuant sa lecture, fait claquer sa langue.
Mme SMITH
Mary a bien cuit les pommes de terre, cette fois-ci. La dernière fois elle ne les avait pas bien fait cuire. Je ne les aime que lorsqu'elles sont bien cuites.
M. SMITH, continuant sa lecture, fait claquer sa langue.
Mme SMITH
Le poisson était frais. Je m'en suis léché les babines. J'en ai pris deux fois. Non, trois fois. Ça me fait aller aux cabinets. Toi aussi tu en as pris trois fois. Cependant la troisième fois, tu en as pris moins que les deux premières fois, tandis que moi j'en ai pris beaucoup plus. J'ai mieux mangé que toi, ce soir. Comment ça se fait? D'habitude, c'est toi qui manges le plus. Ce n'est pas l'appétit qui te manque.
M. SMITH, fait claquer sa langue.
Mme Smith
Cependant, la soupe était peut-être un peu trop salée. Elle avait plus de sel que toi. Ah, ah, ah. Elle avait aussi trop de poireaux et pas assez d'oignons. Je regrette de ne pas avoir conseillé à Mary d'y ajouter un peu d'anis étoile. La prochaine fois, je saurai m'y prendre.
M. SMITH, continuant sa lecture, fait claquer sa langue.
Mme SMITH
Notre petit garçon aurait bien voulu boire de la bière, il aimera s'en mettre plein la lampe, il te ressemble. Tu as vu à table, comme il visait la bouteille? Mais moi, j'ai versé dans son verre de l'eau de la carafe. Il avait soif et il l'a bue. Hélène me ressemble : elle est bonne ménagère, économe, joue du piano. Elle ne demande jamais à boire de la bière anglaise. C'est comme notre petite fille qui ne boit que du lait et ne mange que de la bouillie. Ça se voit qu'elle n'a que deux ans. Elle s'appelle Peggy. La tarte aux coings et aux haricots a été formidable. On aurait bien fait peut-être de prendre, au dessert, un petit verre de vin de Bourgogne australien mais je n'ai pas apporté le vin à table afin de ne pas donner aux enfants une mauvaise preuve de gourmandise. Il faut leur apprendre à être sobre et mesuré dans la vie.
M. SMITH, continuant sa lecture, fait claquer sa langue.»



Vragen

  1. Welke kenmerken van een traditioneel toneelstuk heeft dit stuk? Geef voorbeelden uit de tekst.
  2. Welke kenmerken van een absurd toneelstuk heeft dit stuk? Geef voorbeelden uit de tekst.

    -----------------------------------------------------------------------------------------
 

Victor Hugo


...hoewel zijn filosofische en mystieke poëzie gedateerd aandoet (...), behoren zijn twee grote romans tot de leesbare klassieken van de negentiende eeuw. Les misérables (...) een (...) verhaal over een aandoenlijke en ondernemende ex-galeiboef, een rechtlijnige politieman, een wraakzuchtige herbergier en een zielig weesmeisje dat toch nog goed terechtkomt. Notre-Dame de Paris is niet alleen een opvallend geestige historische roman over de late middeleeuwen, maar ook een ontroerend verhaal over de hopeloze liefde van de mismaakte Quasimodo voor de beeldschone Esmeralda. Genoeg om de vooral door Scott beïnvloede Hugo niet - zoals een Franse criticus het uitdrukte - te 'begraven in zijn eigen roem'.
http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/schrijver/hugo-victor


Toen André Gide eens werd gevraagd wie de grootste Franse dichter van de negentiende eeuw was geweest, antwoordde hij: `Victor Hugo, hélas!' Dat `helaas' is beroemd geworden en terecht. Het is nog altijd navoelbaar. Gide had natuurlijk graag een andere, meer verrassende naam genoemd, waaruit een meer persoonlijke keuze had gesproken. Maar nee, de meest voor de hand liggende bleek ook de onontkoombare.
http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/recensie/de-hemel-is-een-oceaan

* Op tien maart 1997 plaatste het Franse dagblad Liberation een brief van vijf ontstelde achter-achterkleinkinderen van Victor Hugo. Zij waren verbolgen over de commerciële uitbuiting van het werk van hun beroemde familielid door Walt Disney. Op de filmposter van zijn De klokkenluider van de Notre-Dame kwam Hugo's naam niet eens voor. De Vlaamse uitgeverij Averbode besloot vanuit eenzelfde verontwaardiging het échte verhaal van Hugo voor kinderen toegankelijk te maken. Zonder een Quasimodo die er eigenlijk toch heel schattig uitziet met zijn grote glanzende ogen, zonder een aangepast, goed einde, maar met behoud van gruwelijkheid en geweld.
http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/recensie/victor-hugo-in-een-uitbundige-bewerking

* De hoofdpersoon van Les Misérables is Jean Valjean, een man die 19 jaar in een strafkamp heeft gezeten om het stelen van een brood en diverse vluchtpogingen. Na zijn vrijlating ontmoet hij Bisschop Myriel. Valjean bekeert zich en stelt zichzelf tot doel een moreel goed mens te worden. Valjean komt echter niet los van zijn verleden.  
http://nl.wikipedia.org/wiki/Les_Mis%C3%A9rables_%28boek%29

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Victor HUGO (1802-1885)

Lorsque l'enfant paraît

Lorsque l'enfant paraît, le cercle de famille
Applaudit à grands cris.
Son doux regard qui brille
Fait briller tous les yeux,
Et les plus tristes fronts, les plus souillés peut-être,
Se dérident soudain à voir l'enfant paraître,
Innocent et joyeux.

Soit que juin ait verdi mon seuil, ou que novembre
Fasse autour d'un grand feu vacillant dans la chambre
Les chaises se toucher,
Quand l'enfant vient, la joie arrive et nous éclaire.
On rit, on se récrie, on l'appelle, et sa mère
Tremble à le voir marcher.

Quelquefois nous parlons, en remuant la flamme,
De patrie et de Dieu, des poètes, de l'âme
Qui s'élève en priant ;
L'enfant paraît, adieu le ciel et la patrie
Et les poètes saints ! la grave causerie
S'arrête en souriant.

La nuit, quand l'homme dort, quand l'esprit rêve, à l'heure
Où l'on entend gémir, comme une voix qui pleure,
L'onde entre les roseaux,
Si l'aube tout à coup là-bas luit comme un phare,
Sa clarté dans les champs éveille une fanfare
De cloches et d'oiseaux.

Enfant, vous êtes l'aube et mon âme est la plaine
Qui des plus douces fleurs embaume son haleine
Quand vous la respirez ;
Mon âme est la forêt dont les sombres ramures
S'emplissent pour vous seul de suaves murmures
Et de rayons dorés !

Car vos beaux yeux sont pleins de douceurs infinies,
Car vos petites mains, joyeuses et bénies,
N'ont point mal fait encor ;
Jamais vos jeunes pas n'ont touché notre fange,
Tête sacrée ! enfant aux cheveux blonds ! bel ange
À l'auréole d'or !

Vous êtes parmi nous la colombe de l'arche.
Vos pieds tendres et purs n'ont point l'âge où l'on marche.
Vos ailes sont d'azur.
Sans le comprendre encor vous regardez le monde.
Double virginité ! corps où rien n'est immonde,
Âme où rien n'est impur !

Il est si beau, l'enfant, avec son doux sourire,
Sa douce bonne foi, sa voix qui veut tout dire,
Ses pleurs vite apaisés,
Laissant errer sa vue étonnée et ravie,
Offrant de toutes parts sa jeune âme à la vie
Et sa bouche aux baisers !

Seigneur ! préservez-moi, préservez ceux que j'aime,
Frères, parents, amis, et mes ennemis même
Dans le mal triomphants,
De jamais voir, Seigneur ! l'été sans fleurs vermeilles,
La cage sans oiseaux, la ruche sans abeilles,
La maison sans enfants !


'Ik zal,' zeide ik, toen alles doodstil was, 'het gezelschap lastig vallen met een klein stukje. 't Is een vertaling van een mijner vrienden, en uit het Frans.'
'Uit het Frans!' herhaalde de heer Van Naslaan, met een bedenkelijk gezicht mijn oom aanziende.
'Kom aan, dat 's goed!' zei mevrouw Dorbeen.

Alles was doodstil om de vreemde stoethaspel te horen, maar geen der dames zag hem aan, vermits haar loffelijke bescheidenheid dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt, met uitzondering van mevrouw Dorbeen, die scheen te willen weten 'of hij goed met zijn ogen rollen zou'. Koosje zat hevig te festonneren, en ik zag niets dan haar gescheiden haar.
Ik begon:
'Als 't kindje binnenkomt - '

Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam - geenszins een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit pak; belast en beladen met de aangeklede boterham in persoon, in de gedaante van een schat van broodjes met kaas en rookvlees, en een macht van ster-, ruit- cirkel-, klaverblad-, en visvormige gebakjes, die ondanks hun verschillende gedaante, wegens de evenredigheden van hun inhoud, in het dagelijks leven de wiskundige naam van 'evenveeltjes' dragen. Mevrouw Dorbeen kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening niet onderdrukken.
Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis met een 'evenveel'; en toen die op was, hervatte ik vol moed, ofschoon de uitwerking van de eerste regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat de droogkomieke heer Dorbeen, toen ik de eerste woorden herhaalde, nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht:

'Als 't kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin;
Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in;
Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede;
En 't rimpligst voorhoofd (ook 't bezoedelste wellicht!)
Klaart voor de aanblik op van vrolijk aangezicht,
Met iedereen in vrede.
't Zij we onder 't lindeloof des zomers zijn vereend,
't Zij 't snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent
En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken;
As 't kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd;
Men lacht, men troetelt, kust, en tergt zijn dartle jeugd;
En moeders harte smaakt zijn zaligste ogenblikken.'
Mevrouw Dorbeen lachte goedkeurend.
'Soms spreken we om de haard, met ernst en met verstand,
Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland,'
De heer Van Naslaan knikte zeer verstandig.
'Van staat, van godsdienst, van geschriften en gezangen;
Het kind komt in; vaarwel kunst, godsdienst, plicht en staat!
't Wordt kusjes voor de mond, en kneepjes in de wangen,
En hobbelen op de knie, en jok en kinderpraat.'
'Dat is heel lief!' zei mijn goedhartige tante, halfluid.
'Als, na een duistre nacht van stormwind en van regen,
Een nacht, wen menigeen, vergeefs ter rust gezegen,
Naar 't woelig gieren hoort, daar 't kind doorheen slaapt; als,
Na zulk een nacht, het rood des uchtends, dat de kimmen
Van liefelijke waas en zachte gloed doet glimmen,
En blijde zangen wekt bij 't vooglenkoor des dals;'
De heer Dorbeen kuchte. De heer Van Naslaan trok ogen en wenkbrouwen pijnlijk samen, alsof hij vragen wilde: 'waar moet dat naar toe?' -
Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat onbepaalde bewondering blijken.
'Zo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten
En duisternis en nacht, en zwarte regenluchten;
Gij zijt een heldre zon, een blijd en vrolijk licht;
Door d'adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven,
Als zuivre koeltjes, die langs 't knoppig bloembed zweven,
En 't blosje sterken op der rozen aangezicht.

Want duizend lieflijkheên uit uw schone oogjes schijnen;
Uw kleine handjes, die ik berg in een der mijne,'
'Och heer!' zei mijn tante halfluid, en haar ogen werden allervriendelijkst klein.
'Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt.
Wat lacht gij vriendelijk, als wij ze u met speelgoed vullen!
Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen,
Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!'
Koosje, die van tijd tot tijd al eens had opgekeken, hief hier haar schoon gezichtje geheel op en staarde mij aan. De allerlaatste regel scheen mij volmaakt ook op haar toepasselijk.
'Lief duifjen in onze ark! Uw mondje bracht de vrede,
De vreugde en 't zoetst geluk in onze woning mede,
Zo vurig afgesmeekt, met zoveel angst verbeid!
Gij kijkt de wereld, daar ge niets van vat, in 't ronde!
Blank lijfje zonder smet, blank zieltje zonder zonde,
Ik eer uwe dubble maagdlijkheid!

Hoe heerlijk is het kind met lachjes op de wangen,
Met traantjes soms, maar ras door lachjes weer vervangen,
De goede trouw in 't oog, en 't uitzicht zo gerust!
't Slaat een verwonderd oog op 's werelds bont getover,
En geeft zijn jonge ziel zo blij aan 't leven over,
Als 't ons zijn lipjes biedt als 't wordt goenacht gekust.'
Tante pinkte een traan weg; mejuffrouw Naslaan knikte twee-, driemaal met het hoofd. Koosje hield haar adem in en zag mij angstig aan, als ik vervolgde:
'Bewaar mij, Heer! mij, en mijn broeders en mijn vrinden,
En hen zelfs, die een lust in tranen vinden,
Indien er zulken zijn misschien!
Dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren,
Of bijenloze korve, of schaapskooi zonder lammeren,
Of kinderloze woning zien!'
'Heremijntijd! neef Hildebrand!' riep mijn tante, 'neef Hildebrand, dat is mooi.'
En ik wed dat zij aan Pieter dacht, toen hij klein was; maar ook . . . och, zeker ook aan klein Truitje, dat gestorven was vóór haar vijfde jaar, en daar zij niets van overhad dan een klein vlokje haar aan haar middelste vinger.
'Hé ja;' zei Mietje met de kalfsogen, die ditmaal velen vooruit was.
'Ik vind altijd.' zei mejuffrouw Van Naslaan, 'dat men moeder zijn moet om van zulke dingen het rechte te hebben.'
'Niet waar, juffrouw Van Naslaan?' zei mevrouw Dorbeen. 'O, maar het is allerliefst; het vèrs' (zij drukte op het woord) ' het vèrs is allerliefst!' Blijkbaar wilde zij zeggen: wat het opzeggen betreft, dàt kon beter.
Koosje was geen moeder, en kon er dus 'het rechte niet van hebben', maar haar glinsterende oogjes en bleke wangen zeiden genoeg dat zij de poëzei verstaan en gevoeld had.
'Van wie is het gedicht?' vroeg de heer Van Naslaan.
'Van Victor Hugo, mijnheer.'
'Victor Hugo?' zeide hij, de klemtoon op de eerste lettergreep leggende en met een uitspraak alsof er, in plaats van één Franse, vijfentwintig goede Hollandse g's in de naam geweest waren. 'Ik dacht dat die man niets dan ijselijkheden schreef. Ik heb in de Letteroefeningen, dunkt mij . . . Hé, dat ontschiet me . . . Ik dacht dat het zo'n bloederig man was.'

http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/beets/camerab.html
 

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Recensie Theater

Wat de musical weglaat: ‘Les Misérables’ eindelijk helemaal vertaald

Les Misérables Voor het eerst is er een volledige Nederlandse vertaling van Victor Hugo’s meesterwerk. Ondermeer door de talloze lange uitweidingen blijkt het een nog bijzonderder boek te zijn dan je altijd al dacht. Het hele drama van de negentiende eeuw is erin vervat.

‘Cosette’ door Emile-Antoine Bayard (1837-1891). Fusain. Paris, Maison de Victor Hugo.
‘Cosette’ door Emile-Antoine Bayard (1837-1891).

Fusain. Paris, Maison de Victor Hugo.


Victor Hugo: De miserabelen. (Les Misérables) Vert. Tatjana Daan. Papieren Tijger, 1364 blz. € 65,-

edereen kent Les Misérables. Van de musical, van de film, van de tv-serie. Zelf las ik het romanepos van Victor Hugo (1802-1885) in mijn jonge jaren als Illustrated Classic – het hele verhaal samengevat in een strip van nog geen vijftig bladzijden. Het staat nog altijd in mijn geheugen gegrift. De avonturen van de goede galeiboef Jean Valjean, die na de diefstal van een brood om de uitgehongerde kinderen van zijn zuster te voeden jarenlang achter de tralies verdwijnt; die na zijn vrijlating opnieuw een diefstal pleegt, nu min of meer per ongeluk, en die daardoor levenslang boven het hoofd hangt; die als ‘Monsieur Madeleine’ een heel stadje welvarend maakt; die wordt opgejaagd door de meedogenloze dienstklopper Javert; die Cosette, het arme dochtertje van de treurige Fantine, redt uit de klauwen van het gewetenloze echtpaar Thénardier; die met nog altijd Javert achter zich aan onderduikt in een Parijs’ klooster en Cosette laat opgroeien tot een beeldschoon meisje; die tijdens revolutionaire straatgevechten haar geliefde Marius het leven redt, evenals zijn kwelgeest Javert; en die, op zijn sterfbed herenigd met Cosette en Marius, eindelijk het – eeuwige geluk – deelachtig wordt.

Veel minder bekend dan deze personages en hun belevenissen is de oorspronkelijke roman in vijf ‘delen’, opgeknipt in talloze ‘boeken’ en ‘hoofdstukken’. De musical, de film, de tv-serie, de strip baseren zich op slechts een fractie van de tekst. Ook in de meeste Nederlandse vertalingen van Les Misérables is twee derde gewoon weggelaten. Het bekende, overbekende verhaal kan dat hebben, maar daardoor lezen, zien en horen we wel iets anders dan Hugo heeft geschreven en in 1862 gepubliceerd. De schrijver en zijn intenties zijn goeddeels verdwenen, terwijl ze volop aanwezig zijn in het origineel. Zou het niet de moeite waard zijn om ook dáárvan kennis te nemen? Hoe dierbaar de bij nader inzien oerlelijke Illustrated Classic-versie mij ook is (ik moet de strip honderden keren hebben gelezen), het antwoord hierop luidt volmondig: ja. Sinds kort kan het ook in het Nederlands. Een nieuwe, uitstekende en voor het eerst complete vertaling is nu verschenen van de hand van Tatjana Daan, voorzien van verklarende voetnoten en een nuttig overzicht van de belangrijkste historische gebeurtenissen in Frankrijk tussen 1789 en 1871.

Uitweidingen of niet

Wat is er in die oude vertalingen allemaal weggelaten? Het waren niet alleen vertalingen maar ook bewerkingen, dus bijna alles is ingekort. Compleet verdwenen zijn doorgaans de diverse uitweidingen, die vaak tientallen bladzijden in beslag nemen en op het eerste gezicht nauwelijks iets aan het verhaal lijken toe te voegen. Zo zag Hugo het zelf niet. ‘Zolang het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, is er geen sprake van een uitweiding’, schrijft hij in een van die uitweidingen. En het is waar, ze hebben beslist met het onderwerp van Les Misérables te maken. Beter gezegd, wat dat onderwerp is, wordt pas in die uitweidingen ten volle duidelijk. Het tweede deel begint bijvoorbeeld met een uitgebreid relaas over de slag bij Waterloo. Hugo schreef het vlak vóór de voltooiing van zijn roman, nadat hij op doktersadvies het Kanaaleiland Guernsey had verlaten (waar hij als de belangrijkste opponent van Napoleon III in ballingschap verbleef) en naar Brussel was gereisd. Daar bezocht hij de slagvelden van Waterloo en raakte diep onder de indruk. Maar wat heeft Waterloo met het verhaal over Jean Valjean te maken? Ogenschijnlijk niets, alleen tegen het eind zien we de schurk Thénardier als een aasgier tussen de lijken sluipen, op zoek naar buit, waarbij hij per abuis het leven redt van de vader van Marius.

Bij nader inzien heeft Waterloo alles te maken met de rest van de roman. Het is geen toeval dat Jean Valjeans jaren in het ‘bagno’ (gevangenis voor dwangarbeiders) samenvallen met de opkomst, glorietijd en ondergang van Napoleon. Hij belichaamt in zekere zin de toekomst na Napoleon. Een toekomst die volgens Hugo niet meer zal worden bepaald door militair geweld, maar door ideeën en Vooruitgang: ‘De vechtjassen zijn klaar, de beurt is aan de denkers’. In Duitsland heeft men naast Blücher ook Goethe, in Engeland naast Wellington ook Byron, en in Frankrijk naast Napoleon ook… Victor Hugo, al gaat de onbescheidenheid net niet zo ver dat hij zijn eigen naam daadwerkelijk noemt. Als visionaire dichters verkondigen zij de toekomst en duiden de tekenen. De ware overwinnaar van Waterloo is daarom ‘God’, verklaart Hugo, die heeft beslist dat de tijd van Napoleon voorbij was.

Merde

De menselijke overwinnaar blijkt de commandant van de keizerlijke garde te zijn, die met een hartgrondig ‘Merde’ weigerde zich over te geven en liever samen met zijn mannen ten onder ging.

Critici maakten zich destijds druk over dat ‘Merde’ (stront) – een woord dat volgens hen in een literaire tekst niet thuishoorde. Volgens Hugo was het ‘het mooiste woord dat een Fransman misschien ooit heeft uitgesproken’. Dat verwijst niet alleen naar de heroïsche moed van Napoleons soldaten, maar ook naar Hugo’s streven de literatuur rauwer en levensechter te maken. In een gedicht (‘Reponse à une accusation’ in Les contemplations, 1856) schreef hij de Franse taal ‘een rode muts’ te hebben opgezet, een verwijzing naar de Franse Revolutie: als romanticus brak hij ook in dit opzicht met de ‘klassieke’ literaire zeden van het Ancien Régime. In een andere uitweiding houdt hij een schitterend pleidooi voor het argot, de ‘taal van de misère’ en tegelijk het volkse idioom van vitaliteit en rebellie, in Les Misérables belichaamd door de onvergetelijke Parijse straatjongen Gavroche (kind van de Thénardiers en paradoxalerwijs gered van het verderf door het gebrek aan liefde bij zijn ouders) die zal sneuvelen op de barricade. De ondergang van Napoleons garde wordt zo heimelijk verbonden met het gewapende verzet dat soms toch nog nodig kon zijn om het visioen van Vooruitgang en Rechtvaardigheid te verwezenlijken, hoewel de auteur naar eigen zeggen de voorkeur geeft aan een ‘pacifistische oplossing’. Op deze manier hangt alles met alles samen in Hugo’s magnum opus. Je moet er alleen oog voor (willen) hebben.

Boekomslag van het vierde deel van Les Misérables Illustratie Culture Club/Getty Images

In een nooit gebruikt en pas postuum als ‘Philosophie’ gepubliceerd voorwoord noemt Hugo zijn roman ‘een religieus boek’. Waarom? Omdat alleen zijn geloof in ‘God’, een woord dat alles dekt wat de mens in de ‘oneindigheid’ van het universum ontgaat en dus moet ‘geloven’, hem ingeeft dat het met de wereld goed zal komen. Les Misérables begint niet toevallig met een heel ‘boek’ over de vrome bisschop van Digne, die bij de door zijn gevangenschap ‘verharde’ Jean Valjean (‘galeien maken de galeiboef’) het zaadje van de deugd plant, dat in de rest van de roman door gewetensstrijd en zelfopoffering zal ontkiemen. In de confrontatie met een voormalig lid van de revolutionaire Conventie, waarbij de bisschop diens ‘zegen’ vraagt, wordt duidelijk dat Hugo’s religie alleen niet die is van de christelijke orthodoxie; hij hield er een eigen, zeer romantische pantheïstische variant op na, waarin ook alles met alles samenhangt en waarvan hij de ‘democratie’ met zijn gelijkheid en broederschap als de passende politieke expressie beschouwde. In weer een andere uitweiding, over het kloosterleven ditmaal, schrijft Hugo veelzeggend: ‘Wij zijn voor de religie en tegen de religies’. Die laatste bevatten te veel bijgeloof, dogmatiek en fanatisme, terwijl Hugo in zíjn religie juist de vrijheid (onmisbaar voor alle ware moraliteit) benadrukt.

De vrijheid maakt ook het verschil uit tussen het bonapartisme, dat Marius gaat aanhangen nadat hij meer te weten is gekomen over zijn als oud-officier van Napoleon verguisde vader, en het republikeinse idealisme van zijn Parijse vrienden die later in de roman, net als de kleine Gavroche, zullen sneuvelen op de barricade. De ontwikkeling van Marius is die van Hugo zelf, zoon van een Napoleontische generaal en een moeder die na de executie van haar anti-bonapartistische minnaar door Napoleon een warme sympathie voor de Bourbons had opgevat. Met als gevolg dat de jonge Hugo, die na de scheiding van zijn ouders de zijde van mama koos, in 1817 debuteerde met gedichten ten gunste van de Restauratie en de teruggekeerde Bourbon-monarchie. Pas na zijn moeders dood volgden de verzoening met papa en de herwaardering van Napoleon, vreemd genoeg in combinatie met een steeds liberalere instelling die zich tenslotte zou ontwikkelen tot een eigen liberaal soort ‘socialisme’. Ook deze persoonlijke Werdegang heeft Hugo in zijn boek gestopt.

All you need is love

Door al deze motieven, met elkaar vervlochten maar ook steeds voorzien van eigen accenten, is het alsnog een complexe roman geworden, een totaalepos dat het hele drama van de negentiende eeuw probeert te verbeelden. En dat terwijl het centrale verhaal eigenlijk zo eenvoudig is: een pijnlijke, emotionerende om niet te zeggen soms ronduit sentimentele strijd tussen goed en kwaad, recht en onrecht, licht en donker. Met een boodschap die zich, afgezien van de zeer christelijke nadruk op het louterende lijden, laat samenvatten in de kreet: All you need is love. Geen wonder dat het als ‘musical for the millions’ zoveel succes heeft. Zelfs de simpelste ziel kan het volgen. Maar dat komt ook doordat Hugo erin is geslaagd van zijn personages krachtige archetypen te maken, aansprekende incarnaties van de deugden en ondeugden die zij symboliseren, vergelijkbaar met de personages van de Griekse tragedies, ook al verkondigen die een andere, heel wat minder optimistische boodschap.

Daarbij raken degenen die de kracht van de liefde het hevigst ondervinden de lezer het meest, zoals de aandoenlijke Éponine, verdorven dochter van de verdorven Thénardiers, die haar betere zelf ontdekt en zich opoffert nadat zij ‘een beetje verliefd’ is geworden op Marius. Maar het gaat ook op voor de onbarmhartige politie-inspecteur Javert, van oorsprong eveneens een ‘miserabele’, geboren in de gevangenis, maar een miserabele die heeft gekozen voor het gezag en voor de wet. Wanneer hij, getroffen door de goedheid van Jean Valjean die hem het leven redt, ontdekt dat daarboven ook nog iets anders staat, namelijk het persoonlijke geweten, kan hij dit inzicht (dat hem voor het eerst dwingt om ‘na te denken’) niet verdragen en pleegt zelfmoord. Het maakt hem tot misschien wel het meest intrigerende personage van de roman.

Omdat het centrale verhaal zo sterk uitpakt, is Les Misérables een roman die ook in drastisch verkorte versie moeiteloos overeind blijft. In feite zijn zo uit dezelfde tekst twee romans ontstaan: de oorspronkelijke complete versie en de verkorte, geconcentreerde versie. Allebei - bijna – even goed, maar grondig van elkaar verschillend. De verkorte versie met nog altijd zo’n vijfhonderd bladzijden wijkt, op wat details na, nauwelijks af van de Illustrated Classic die ik als jongen heb verslonden; de oorspronkelijke versie laat daar een stevige visionaire wind doorheen waaien en geeft het verhaal een ruim bemeten historische, religieuze en zelfs utopische inbedding. Dat maakt minstens zoveel en uiteindelijk nog veel meer indruk, terwijl ik de roman toch ook nu weer heb verslonden, als je dat tenminste zeggen kunt van een lectuur die – onvermijdelijk gezien de omvang – heel wat meer tijd in beslag nam. 

 https://www.nrc.nl/nieuws/2023/01/19/wat-de-musical-weglaat-les-miserables-eindelijk-helemaal-vertaald-a4154697?t=1674218434

-------------------------------------------------------------------------------------------