Pagina's

Jean-Cristophe Rufin

 

 

de schrijver

Jean-Christophe Rufin (1952) is schrijver, arts, globetrotter en pionier van de humanitaire beweging Artsen Zonder Grenzen. Van 2007 tot 2010 was hij Frans ambassadeur in Senegal, in 2008 werd hij verkozen als het het jongste lid van de Académie française. Rufin schreef talrijke romans en essays, waaronder de klassiekers De Abessijn, Braziliaans rood en Katiba. Hij won al tweemaal de Prix Goncourt. Voor Compostella kreeg hij in 2013 de Prix Nomads.

------------------------------------------------------------------------------- 

Collier Rouge historische achtergrond

 
Het boek Collier Rouge speelt zich af tijdens en vlak na de eerste Wereldoorlog (1914-1918). Aan de ene kant staan de Centralen (het Duitse Rijk,  Oostenrijk-Hongarije, het Ottomaanse = Turkse Rijk, Bulgarije en aanvankelijk ook Italië). In Duitsland is keizer Wilhelm (in het Frans: Guillaume) aan de macht. Aan de andere kant staan de Geallieerden of de Entente (o.a. Engeland, Frankrijk, Rusland en uiteindelijk ook Italië.)
 
Tijdens de oorlog breekt in Rusland in 1917 de revolutie uit. De communisten nemen de macht over. Zij zijn ervan overtuigd dat de arbeiders van alle landen onderling meer gemeen hebben en een groter gemeenschappelijk belang hebben dan bijvoorbeeld een Duitse arbeider met een Duitse fabriekseigenaar heeft. Arbeiders moeten elkaar dus niet bevechten, zij moeten over de landsgrenzen heen een bondgenootschap sluiten tegen de fabriekseigenaren en de grootgrondbezitters. Hun strijdlied heet dan ook de Internationale. De hoofdpersoon van Le Collier Rouge, Morlac, is gevoelig voor die boodschap. Hij staat op het punt om met een groep gelijkgestemden aan het Oost-front (aan de Turkse grens) de wapens neer te leggen en de strijd van land tegen land op te geven. Maar dan gebeurt er iets. 

------------------------------------------------------------------------------------------

Le Collier Rouge (2018) / the red collar

 
Drama | 83 minuten
Geregisseerd door: Jean Becker

youtube: The Red Collar / Le Collier rouge (2018) - Trailer (English subs)

--------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

De rode halsband


  Le collier rouge, Jean-Christophe Rufin | 9782070462971 | Boeken | bol.com


Rechtvaardigheid in oorlogstijd

In de zomer van 1919 bezoekt rechter Hugues Lantier du Grez een klein stadje in het midden van Frankrijk. Hij is belast met de zaak van oorlogsheld Jacques Morlac, die als enige gevangene vastzit in een verlaten kazerne. Buiten staat de hond van Morlac dag en nacht te blaffen in de verzengende hitte.
Op het eerste gezicht doet De rode halsband van Jean-Christophe Rufin denken aan Meester mitraillette van de Vlaamse auteur Jan Vantoortelboom: beide verhalen spelen zich af vlak na de Eerste Wereldoorlog en gaan over een gevangene in afwachting van zijn straf, waarbij het pas naderhand duidelijk wordt wat hij heeft gedaan. Bovendien staan beide boeken vol sfeervolle beschrijvingen die bijdragen aan de impact van het verhaal. Maar waar Meester mitraillette zich vooral richt op de persoonlijke gevolgen van de Eerste Wereldoorlog voor de hoofdpersoon, stelt Rufin in De rode halsband grote vragen over de invloed van oorlog op de samenleving. Wat is het leven van een individu nog waard in een oorlog waarin miljoenen mensen zijn omgekomen? Kan er na zoveel geweld nog zoiets bestaan als een rechtvaardige rechtsstaat?

Rechter Lantier worstelt met deze vragen terwijl hij de zaak van Morlac zo goed mogelijk probeert af te handelen. Morlac is een misdadiger, maar heeft in de oorlog zijn leven gegeven voor zijn vaderland. Een oordeel vellen is voor Lantier niet gemakkelijk: ‘Sinds hij tot rechter was benoemd, had hij al veel simpele zaken behandeld: ronduit schuldige beklaagden of volslagen onschuldigen. (…) Bij Morlac voelde hij dat hij te maken had met een complexere gevangene, bij wie goed en kwaad door elkaar vloeiden.’ Lantier ziet Morlac dan ook liever vrijuit gaan. Zijn pogingen om verzachtende omstandigheden op te voeren stuiten echter op verzet bij de gevangene: ‘Ik wil niet dat mijn daden een valse betekenis krijgen. U mag niet verbloemen wat ik te zeggen heb.’

Lantier kan dit maar moeilijk accepteren. Zelf heeft hij ook gevochten in de oorlog, en hij merkt dat hij en Morlac veelal dezelfde ervaringen hebben doorstaan in de loopgraven. Zijn zij dus niet eigenlijk broeders, gelijken, in plaats van rechter en veroordeelde?

Het uiteindelijke oordeel van Lantier geeft echter geen antwoord op bovenstaande vragen: Morlacs beweegredenen blijken niet idealistisch, maar puur egocentrisch van aard. De rode halsband heeft zo bezien meer gemeen met Vantoortelbooms roman dan eerder gedacht. Hoewel het jammer is dat Rufin geen poging doet om de gestelde vragen te beantwoorden, is zijn boek wel een prachtig portret van de grilligheid van de mens.

https://boekenkrant.com/rechtvaardigheid-in-oorlogstijd/

---------------------------------------------------------------------------------------- 

Review | Boeken

In de schaduw van WO I met Goncourt-

winnaar Jean-Christophe Rufin

Schrijver-diplomaat Jean-Christophe Rufin (links in zwart pak) was ooit Frans ambassadeur in Senegal waar hij in mei 2010 in Dakar een herdenking van WO II bijwoonde. © BELGAIMAGE 
Redactie Knack    

Goncourt-winnaar en oud-ambassadeur Jean-Christophe Rufin schreef met De rode halsband een subtiele en schitterende non-fictieroman over trouw, menselijkheid, verdraagzaamheid.

De hondsdagen van 1919. We zijn in een dorpje van de Berry, een streek in Frankrijk rond Bourges en bekend om de Sancerre-wijn. Het dorpsplein is verlaten, alleen het geblaf van een eenzame hond stoort de stilte. Dag en nacht. Hij heet Wilhelm, net als de Duitse Kaiser. De verlaten kazerne is de gevangenis geworden voor één enkele man: korporaal Morlac. Het is zijn hond die permanent blaft. Morlac, een man van net geen dertig, werd voor zijn heldhaftig gedrag tijdens de Grote Oorlog gedecoreerd met het Legioen van Eer. En nu zit hij in de gevangenis. Hij kan geëxecuteerd worden of minstens levenslang verbannen worden naar een guur Frans eiland. Morlac wordt ervan beschuldigd Frankrijk te hebben beledigd.

Wroeging

Wat hij precies heeft gedaan en waarom blijft in het ongewisse. De jonge militaire rechter Lantier du Grez, eveneens oud-strijder, krijgt de opdracht de zaak verder te onderzoeken en de strafmaat te bepalen. In het begin heeft de aristocraat Lantier het moeilijk om contact te krijgen met Morlac. Die blijft stug en weigert te praten. Maar Lantier toont begrip. Hij stelt Morlac voor te verklaren dat hij dronken was tijdens de belediging en verzekert hem dat de straf dan zeker lichter zal zijn. Maar Morlac weigert halsstarrig. Beetje bij beetje wordt de ondervraging een gesprek tussen twee oud-strijders. De ene een boerenzoon die nauwelijks naar school is geweest, de andere een officier die zo snel mogelijk weer burger wenst te worden en terugkeren naar zijn vrouw in Parijs. Bovendien wil Lantier heel verdraagzaam zijn. Hij heeft wroeging over de harde vonnissen die hij tijdens de oorlog heeft moeten vellen.

Marx

Tijdens zijn onderzoek merkt Lantier dat de inwoners van het dorp achter Morlac staan en hij gaat praten met Valentine, een jonge vrouw die een paar kilometer verder woont. Ze is de moeder van Morlac’s zoon en meer dan een doodgewone boerin. Ze heeft Morlac boeken leren lezen van Marx, Kropotkin, Proudhon: socialisten, anarchisten, revolutionairen. Morlac nam ze mee naar het front, verborgen achter de omslag van stationsromannetjes. Valentine vertelt over haar grote liefde voor Morlac en ze wil hem terugzien. Intussen komt Lantier steeds meer te weten over korporaal Morlac. Hoe de hond hem gevolgd is, heel de oorlog door. Hem trouw is gebleven van de Somme tot de strijd in de Oriënt, in de omgeving van het Griekse Thessaloniki waar de Centrale Mogendheden tegen de Entente vochten. Daar had Morlac het Legioen van Eer verdiend. Maar was die medaille met het rode lint wel voor hem bedoeld?

In de schaduw van WO I met Goncourt-winnaar Jean-Christophe Rufin
© GF

Trouw en humanisme

‘De rode halsband’ is een korte, bijzonder rijke, poëtische en ook spannende roman waarin de Eerste Wereldoorlog eigenlijk niet centraal staat. Trouw en humanisme zijn de sleutelwoorden. De adellijke Lantier heeft dezelfde bombardementen en gruwel meegemaakt als de korporaal en de hond. Hij is milder geworden en beseft net als Morlac dat de vijand iemand anders kan zijn dan een vijand. Iets wat de door schrapnels verwonde trouwe hond Wilhelm niet kan beseffen. Hij is een metafoor voor grenzeloze moed en trouw. Hij vecht en verdedigt zijn vrienden, voor zijn vijanden kan hij geen begrip tonen. Hij kan een held zijn terwijl Morlac precies revolteert tegen zijn lot om held te zijn. Rufin vertelt het verhaal zonder franjes. Over de gruwel van de oorlog zelf schrijft hij niet: hij gebruikt getuigenissen en zorgt voor spanning door pas tegen het einde te vertellen wat er precies met Morlac is gebeurd. Met veel dialogen ontwikkelt het verhaal zich als in een toneelstuk: binnenshuis en achter gesloten deuren

Non-fictie

Voor deze roman inspireerde Jean-Christophe Rufin (53), Goncourtwinnaar, arts, academielid, diplomaat en pionier van Artsen Zonder Grenzen, zich op een waargebeurd verhaal dat zijn vriend en gentleman-fotograaf Benoît Gysembergh hem vertelde. Ze waren in 2011 voor een Frans weekblad naar Jordanië gestuurd om verslag uit te brengen over de Arabische Lente. Maar er gebeurde daar niets en de tijd ging voorbij met bier drinken en verhalen vertellen. De intussen overleden fotograaf vertelde over zijn grootvader die als held uit de Eerste Wereldoorlog terugkeerde, de Légion d’honneur opgespeld kreeg en dronken een toen onvergeeflijke daad deed waarvoor hij gearresteerd en veroordeeld werd. Gysembergh, aan wie ‘De rode halsband’ is opgedragen, stierf aan kanker net voor de non-fictieroman af was. 

https://www.knack.be/nieuws/cultuur/boeken/in-de-schaduw-van-wo-i-met-goncourt-winnaar-jean-christophe-rufin/

 ------------------------------------------------------------------------------------------------------

De kracht van de rede is onuitputtelijk

Op vrijdagavond 13 november nam ik deel aan een debat met de Franse schrijver, arts en diplomaat Jean-Christophe Rufin bij de Alliance Française in Parijs. Onderwerp: wie kan de wereld redden, schrijvers, wetenschappers, politici of activisten? Bij de ingang werd zelfs mijn handtasje gefouilleerd, wat toen overdreven leek (maar me achteraf deed denken dat de autoriteiten misschien toen al extra alert waren). Rufin vertelde in het debat onder meer dat hij dankzij zijn grootvader die in het verzet zat, zich het meeste zorgen maakte over mensen met extreme standpunten. Dit naar aanleiding van de rol van activisme in zijn en mijn romans, en het verzet tegen moderne wetenschap. Na afloop gingen we dineren en kort daarop kwamen de eerste berichten binnen over aanslagen in de stad. In de loop van de nacht werd duidelijk dat het om jihadisten ging. In het communiqué dat IS uitgaf, noemden ze hun slachtoffers „kruisvaarders”, en hun doelwit „de hoofdstad van prostitutie en obsceniteit”. Het perverse Westen tegenover de puurheid van het kalifaat.

Hun motieven zijn politiek, hun taal is religieus. Hun radicalisme ontneemt ons de taal door te dwingen tot even radicale taal, tot een ontembare wedloop van woorden. Het antwoord op extremisme is echter niet in een extreme taal verwoorde reeks van maatregelen, hoe begrijpelijk ook uit woede en ontzetting. Verhoogde veiligheid en controles kunnen een open samenleving nooit afdoende beschermen. Met redelijkheid winnen we het niet van fanatisme, wordt vaak gezegd. Maar met onredelijkheid winnen we nog minder. En evenmin met zware maatregelen tegen hen die zich fanatiek uitlaten. Hard tegen hard is een valkuil. Redelijkheid is een zwak wapen, maar niet machteloos.

Wat het Westen altijd zijn aantrekkingskracht zal geven, is de vrijheid van denken en spreken, los van religieuze voorschriften over goed en kwaad. De moderne tijd begon juist daarmee, met het denken los van dogma’s, op basis van rede en experiment, hoe schaamteloos en ondenkbaar ook. De rede dwingt om alles te onderzoeken, ook wat God genoemd wordt, of door God gegeven. Niemand belichaamt die vrijheid van de rede meer dan de grote filosoof Spinoza, over wiens cheerem (banvloek) op 6 december een internationaal symposium wordt gehouden. Op 24-jarige leeftijd werd hij uit de Joods-Portugese gemeenschap van Amsterdam verbannen wegens „afzichtelijke ketterijen”. Waarschijnlijk sloeg die term op het gedachtegoed dat hij kort daarop zou beginnen te publiceren – over het feit dat er geen goddelijke wet bestond, en zeker niet een letterlijk door God gedicteerde wet.

Spinoza heeft zijn ban nooit aangevochten, mogelijk kwam het hem goed uit zo aan het keurslijf van de orthodoxe gemeenschap te ontsnappen. In zijn nadruk op de rationaliteit van het denken tegenover het geloof was hij zijn tijd ver vooruit. Religie kan nog steeds slecht omgaan met die alles onderzoekende, oneerbiedige, verzengende rede. De kracht van die rede is onuitputtelijk, ondanks de populariteit in bijgeloof en obscurantisme. Altijd neemt het verzet tegen de rede extreme vormen aan, omdat die rede zo verbonden is met de westerse moderniteit.

De rede is gelukkig niet ons enige wapen. Uiteindelijk bepalen rede en kunst samen onze veerkracht. Naast de emotie en de analyse kwam al snel de kunst aan het woord in Parijs. Een pianist die ‘Imagine’ speelde op straat, een gedicht dat ik zaterdag las op een winkelruit, niet ver van Place de la République: „Tegenover de lafheid van religieuze fanatiekelingen/ blijven wij rechtop en vrij/ wij zijn de lach/ wij zijn de tranen/ wij zijn de liefde/ wij zijn het leven/… Zij zullen niet winnen”.

Louise O. Fresco
NRC handelsblad, 18 november 2015

https://louiseofresco.com/de-kracht-van-de-rede-is-onuitputtelijk/
------------------------------------------------------------------------------------------------------
Rouge Brésil
 
Nieuwe musketiers versus kannibalen

De voormalige arts Jean-Christophe Rufin schreef een roman over een Europese miniburgeroorlog op een onbewoond eiland bij Brazilië. Voor deze `reflectie op tolerantie' is hij deze week onderscheiden.

Het ging tussen Gallimard en Grasset, afgelopen maandag, bij de lunch in restaurant Drouant, in Parijs. De juryleden van de Prix Goncourt hadden zes stemrondes nodig om de balans te laten doorslaan naar Gallimard en de prijs toe te kennen aan Rouge Brésil van Jean-Christophe Rufin. Met een verschil van één stem versloeg Rufin zijn concurrent, Marc Lambron, auteur van Etrangers dans la nuit. Die doorslaggevende ene stem werd, opmerkelijk genoeg, uitgebracht op Plateforme, de meest recente roman van Michel Houellebecq, die niet eens op de shortlist stond.

Jean-Christophe Rufin (49), die in 1997 debuteerde met de bestseller L'abyssin, werkte jarenlang als arts voor de humanitaire organisatie Artsen zonder grenzen, in brandhaarden als Nicaragua, Afghanistan, Rwanda en op de Balkan. In de jaren tachtig was hij adviseur van de Franse staatssecretaris voor de Rechten van de Mens Claude Malhuret, later van minister van Defensie François Léotard. Hij publiceerde ook politieke essays, waaronder L'empire et les nouveaux barbares.

Rouge Brésil is een vuistdikke roman over de Franse poging in de zestiende eeuw Brazilië te koloniseren — een hachelijke en weinig glorievolle onderneming uit de Franse geschiedenis. Een bizarre onderneming ook, aangezien de Portugezen zich dat deel van Zuid-Amerika al eerder hadden toegeëigend. Het boek begint in 1555 in Rouen, waar Chevalier de Villegagnon, een Malteser ridder, in opdracht van de Franse koning, matrozen, koks, slagers, bakkers en tolken werft voor zijn expeditie naar Brazilië een hele ark van Noach heeft hij nodig om zijn drie schepen te bemannen en met hen aan de overkant van de oceaan een nieuw Frankrijk, `la France antarctique' te stichten.

Weeskinderen

Het kost hem moeite om Indiaanse tolken te vinden want wie wil er nu terug naar dat land van kannibalen als je eenmaal de Franse vrouwen en de Franse beschaving gewend bent? en dus wordt er gezocht naar weeskinderen. Kinderen leren nu eenmaal veel sneller een vreemde taal dan volwassenen en zullen dus eerder als woordvoerder kunnen dienen voor onderhandelingen met de inheemse bevolking. Het worden Just en Colombe, kroost van een onbekende Italiaanse moeder en een in een oorlog verdwenen vader, wier Normandische familie hen liever kwijt dan rijk is. Onder het mom van een zoektocht naar hun vader worden ze aan boord gebracht van het schip La Rosée. Colombe knipt haar haren af: vrouwen mogen niet mee.

Het is het begin van een prettig vertelde, soms exuberante avonturenroman, in de traditie van Dumas' De drie musketiers of De graaf van Monte-Cristo met de ridder Villegagnon als de evenknie van d'Artagnan of Edmont Dantès. Net als Dumas houdt Rufin van avonturen, spionage, politieke intriges, idealisme en gedwarsboomde liefde. Net als zijn negentiende-eeuwse voorbeeld blijft hij dichtbij de historische werkelijkheid, maar zonder zijn verbeelding al te zeer aan banden te leggen. Op het onbewoonde eiland voor de Braziliaanse kust waar de schepen uiteindelijk aanleggen komt het tot heftige godsdienstige, onderlinge botsingen tussen de paapsen en de aanhangers van Calvijn. De vraag of de hostie nu wel of niet de materiële aanwezigheid van het lichaam van Christus vertegenwoordigt verscheurt de gemoederen, waardoor van het werkelijk koloniseren van het land niets terecht komt. Voor de verbaasde ogen van de inheemse bevolking lopen de schermutselingen uit op een Europese miniburgeroorloog een symbolische opmaat voor de godsdienstoorlogen die later die eeuw op het Europese vasteland zouden losbarsten.

Sensualiteit

In een radiointerview omschreef Rufin Rouge Brésil als een reflectie op tolerantie, op de schok die de ontmoeting van twee culturen teweegbrengt: `de Europese, universele en hoogmoedige beschaving, die denkt dat ze liberaal is maar in wezen moorddadig, en de Indiaanse wereld, met haar sensualiteit, haar gevoel voor harmonie en voor het heilige'. De klassieke thema's van goed versus kwaad, van de onderdrukker tegenover de onderdrukte en al de onduidelijke nuances tussen deze uitersten smeedt Rufin samen in een goedlopend, soms spannend, soms wat naïef-romantisch verhaal.

Dat de auteur zich graag verdiept in historische perioden waarin Frankrijk zich opmaakt andere culturen onder de voet te lopen, wisten we bijvoorbeeld al uit de ook in het Nederlands vertaalde roman De abessijn. In dit boek verhaalt Rufin van een hilarische handelsmissie naar Ethiopië, die aan het begin van de achttiende eeuw wordt uitgevoerd in opdracht van Lodewijk de Veertiende — een smakelijke mix van bandietenverhalen, godsdienstfanatisme en mislukte diplomatie.

Voor Rouge Brésil — de titel is afgeleid van pau brasil, een kostbare houtsoort waarmee de kleur rood kan worden verkregen — baseerde Rufin zich, behalve op zijn eigen verblijf in Brazilië, voornamelijk op documenten en getuigenissen van de reizigers zelf. Zo versloeg de protestant Jean de Léry de onderneming in 1578 in zijn Voyage faict en la terre du Brésil en deed de kosmograaf André Thevet hetzelfde in Les singularitez de la France Antarctique (1557).

Het motto van Rufins boek is afkomstig uit hoofdstuk XXXI van de Essais van Montaigne, Des cannibales. Montaigne schrijft in deze tekst dat hij lange tijd een secretaris in dienst had die, `een jaar of tien, twaalf, geleefd had in die andere, aan het begin van onze eeuw ontdekte wereld, daar waar Villegagnon aan wal ging en die hij la France antarctique noemde'. `Ieder noemt barbarij datgene wat niet in zijn eigen traditie en gewoonten past', schrijft Montaigne onder meer, en: `Wij kennen geen andere maat voor waarheid en rede dan het voorbeeld en de ideeën van het land waarin wij ons bevinden' een wijze uitspraak van alle tijden, die Rufin, voor de honderdduizenden lezers die deze Goncourt nu zullen aanschaffen, op eigentijdse literaire wijze illustreert.

Jean-Christophe Rufin: Rouge Brésil. Gallimard. 551 blz. ƒ59,25

https://www.nrc.nl/nieuws/2001/11/09/nieuwe-musketiers-versus-kannibalen-7564566-a1020086?t=1662017768
-------------------------------------------------------------------------------------------------------
De Abessijn

Zooro op pad in Abessinië

Jean-Christophe Rufin: De Abessijn. Uit het Frans vertaald door Jelle Noorman. Atlas, 512 blz. f 49,90

In het jaar 1701 verleende koning Lodewijk XIV audiëntie aan de arts Poncet, die hem een boodschap kwam overbrengen namens de negus van Abessinië. Deze ‘koning der koningen’ had zijn gezant geschenken meegegeven voor zijn machtige Europese collega: zakken stofgoud, tabak, civet en wierook, vier merries en twee olifanten “uit wier slagtanden men een levensgroot ivoren standbeeld had kunnen snijden’. Helaas waren in de loop van Poncets maandenlange reis de kostbaarheden gestolen en de dieren gestorven. Wat hem restte had hij bewaard in een tijdens de tocht haastig in elkaar getimmerde houten kist. Voor de ogen van Lodewijk XIV opende hij de kist en verscheen er, in een stinkende walm, een beschimmeld olifantsoor, terwijl ‘de meest weerzinwekkende insecten, in schrikbarende drommen’ over de vloer sprongen. Poncet werd in de boeien geslagen en door soldaten afgevoerd. Maanden later moest hij verschijnen voor een commissie van wijze mannen die, in een langdurig proces, onderzocht of hij überhaupt wel in Abessinië was geweest.

Het is een tot de verbeelding sprekende scène uit De Abessijn, geschreven door de arts en Afrika-kenner Jean-Christophe Rufin, die ook werkt als docent geopolitiek aan het Institut des études politiques te Parijs. Je ziet de verwarring op het gezicht van de jonge, vrijgevochten geneesheer, die zich toch al niet zo op zijn gemak voelt aan het stijve hof in Versailles. Hij kent er de etiquette niet en zijn libertijnse manier van doen krijgt een wantrouwend kille ontvangst. Je voelt hoe de arrogante hovelingen het tafereel misprijzend gadeslaan en in hun vuistje lachen bij zoveel onnozelheid. Je ziet hoe de koning ‘met zijn pokputjes, zijn rode neus en zijn halskwabben’ verstrakt in zijn koninklijke fauteuil.

Het boek van Rufin staat vol met dit soort scènes, vensters naar een andere tijd, naar een volslagen andere wereld. Toch heb je het idee dat je de personages kent, dat je ze kunt aanraken, dat je ruikt wat zij ruiken en ziet wat zij zien. Terecht sleepte Rufin met zijn debuut zowel de Prix Goncourt du premier roman als de Prix Méditerranée in de wacht.

De Abessijn is een spannende avonturenroman in de negentiende-eeuwse, romantische zin van het’ woord. Rufin moet zich op de een of andere manier verwant voelen met de negentiende-eeuwse schrijver Alexandre Dumas, auteur van De drie musketiers en De graaf van Monte-Cristo. Rufins knappe arts is even onverschrokken en avontuurlijk als d'Artagnan of Edmond Dantès en net zo bereid tot het uitvoeren van ogenschijnlijk onmogelijke opgaven in naam van de rechtvaardigheid, of van de liefde. Hun verlangen een meisjeshart te veroveren drijft hen tot grote daden en verre reizen. Talent voor ondergeschiktheid kan hen niet worden toegekend — de hoofdpersonen van Dumas en Rufin zijn wars van instructies, buigen maar zelden het hoofd en weten zich uiteindelijk ook van ieder juk te ontdoen. Het zijn echte helden, in de traditionele, letterlijke zin van het woord. Ze verpersoonlijken het ideaal van vrijheid van het individu.

Net als Dumas gaat Rufin uit van een geschiedkundige context, zonder een werkelijk historische roman te willen schrijven. Rufin is niet echt geïnteresseerd in de innerlijke beweegredenen die het handelen bepalen van Lodewijk XIV, de koning van Abessinië of de arts Poncet. Niet zoals Hella Haasse het gedrag probeerde te verklaren van Charles d'Orleans of zoals Helene Nolthenius het leven volgde van Leonidas van Tarente. Rufins roman speelt zich af “in de leemten van de geschiedenis’. Hij putte uit geschriften van reizigers uit de zeventiende en achttiende eeuw en verweefde er hedendaagse hartstochten doorheen. In de ruimte tussen de feiten liet hij zijn verbeelding de vrije loop. Van Poncet is bijvoorbeeld niet meer bekend dan dat hij apotheker in Caïro was en dat hij met een jezuïet naar Abessinië werd uitgezonden. Poncets geliefde is helemaal aan de fantasie van de auteur ontsproten, terwijl de haar toegedichte vader wel degelijk Frans consul in Caïro was.

Verzonnen of niet, De Abessijn is een boek waarmee je aangename uren doorbrengt. Door de geestige dialogen, Rufins eenvoudige, directe taalgebruik en de goede Nederlandse vertaling, raak je geen moment verveeld. Het gebrek aan diplomatieke gaven van Monsieur de Maillet, Frans consul in Caïro en marionet van een aan het Franse hof verblijvende suikeroom, zorgt meteen op de eerste pagina’s al voor hilariteit. Rufin is trouwens meedogenloos voor vrijwel alle diplomaten en ambtenaren, of ze nu van Franse, Turkse of Abessijnse afkomst zijn. Deze consul krijgt, via een jezuïet, opdracht van de Franse koning met een gezantschap naar Abessinië te vertrekken, om dit heidense moslimland tot het ware geloof te bekeren — een opdracht waarbij zijn leven wel eens gevaar zou kunnen lopen en die hij dan ook zonder aarzelen afschuift op de illegaal in Caïro verblijvende arts Jean-Baptiste Poncet. Diens vrijgevochten gedrag is hem toch al een doorn in het oog, zeker nu deze een oogje heeft laten vallen op zijn dochter. Van een verbintenis kan uiteraard geen sprake zijn.

Avonturenroman à la Dumas

Met de nodige wijsheid, een dosis geluk en veel bravoure onderneemt Poncet de gevaarlijke, maandenlange tocht door de woestijn, in de hoop dat de Franse koning hem als dank in de adelstand zal verheffen. Dan zal hij zijn geliefde kunnen trouwen. Het relaas van zijn tocht door de Egyptische woestijn, de Sinaï, de bergen van Abessinië en van zijn audiëntie bij de negus vormt de kern van het boek. Met veel inlevingsvermogen beschrijft Rufin de zinderende hitte, de weinig spraakzame woestijnbewoners, de macht van degene die heerst over water, bronnen en de handel in rijdieren. Hij legt uit waarom een Abessijn nooit onder de ogen van een ander zal eten en gruwelt met zijn hoofdpersoon over de Abessijnse gewoonte misdadigers levend te villen.

Aan de hand van de vriendschap tussen Poncet en de Ethiopische vorst, die wijzer, vooruitstrevender en minder ijdel is dan de Franse Zonnekoning, schetst Rufin de historische oorzaken van het fundamentele, vijandige onbegrip tussen twee culturen en twee heersers. Handelsmissies zijn welkom in het rijk van de negus, maar met het godsdienstig fanatisme waarmee jezuieten en capucijnen het islamitische rijk bestoken moet het voor eens en altijd afgelopen zijn. Dat is de boodschap die Poncet aan de Zonnekoning moet overdragen. Op macht beluste tussenpersonen weten de boodschap naar hun hand te zetten en uiteindelijk zal Lodewijk XIV precies de tegenovergestelde mededeling bereiken. Ieder diplomatiek initiatief lijkt daardoor tot mislukken gedoemd.

De Abessijnse geschiedenis kent dan ook nog vele schermutselingen met Europese godsdienstfanaten op bekeringspad. Rufin echter verzint voor Abessinië een andere geschiedenis. Poncet ontpopt zich als een ware Zorro en weet, op elegante wijze, jezuïeten en capucijnen op een dwaalspoor te brengen. Een Franse handelsmissie van op geld beluste bedriegers, die proberen de vrouwen van een Abessijnse stam in te palmen met plastic kralen en lachspiegels, loopt in een fatale hinderlaag. In Rufins versie blijft het land dankzij Poncet gevrijwaard voor verdere buitenlandse inmenging. De held krijgt zijn meisje, zijn vriend krijgt haar vriendin en ze leefden nog lang en gelukkig. Met zoveel romantiek waan je je even in de negentiende eeuw.

https://www.nrc.nl/nieuws/1999/05/07/zooro-op-pad-in-abessinie-a4114604

------------------------------------------------------------------------------------------------------ 

Compostela. Voetreis naar het einde van de wereld

De Franse schrijver-arts-diplomaat Rufin schreef een bestseller over zijn voettocht naar Santiago de Compostela. ‘Ik heb vooral geleerd dat je je rugzakje licht moet houden.’

Jean-Christophe Rufin, bij zijn uitgever Gallimard, Parijs: ‘Die idealistische jongeren van nu worden gewoon bureaucraten’
Jean-Christophe Rufin, bij zijn uitgever Gallimard, Parijs

Een statig pand vol kunst, in één van de meest chique straten van Parijs – het is een vreemde locatie om te praten over een boek dat gaat over bewust gezochte armoede, afzien, pijnlijke voeten en de sport om zo min mogelijk geld uit te geven. In 2011 was de schrijver-arts-diplomaat Jean-Christophe Rufin (1952) een paar maanden pelgrim. Hij liep de camino: 800 kilometer, van Hendaye, een stadje in Frans Baskenland, naar Santiago de Compostela in Noordwest-Spanje. Hij schreef er een reisverslag over, Compostela. Voetreis naar het einde van de wereld, dat een bestseller werd. Twee weken na verschijning waren er al meer dan 250.000 van verkocht.

Compostela is een persoonlijk boek, geestig en niet zonder zelfspot. Let maar eens op wat de reacties zijn als iemand vertelt dat hij naar Santiago gaat lopen, schrijft Rufin. Die zal wel een probleem hebben, zie je ze denken. Hij zal wel ergens mee zitten. Niemand geeft een duidelijk antwoord op de vraag waarom hij of zij aan zo’n tocht begint. Rufin zelf ook niet. Hij geeft er in zijn boek een mooie retorische draai aan: ‘Hoe kun je uitleggen aan wie het niet aan den lijve hebben ondervonden, dat een van de heilzame gevolgen van de camino erin bestaat dat je vergeet waarom je de tocht hebt ondernomen?’ Heel die kluwen van gedachten verdwijnt in het lopen. De pelgrimstocht is ‘tiranniek en totalitair’, hij laat de overwegingen van het waarom in het niets verdwijnen. En dat is nu juist zo heilzaam, suggereert Rufin.

Onsterfelijke

Hij was ambassadeur – in zijn gloriedagen had hij een villa met vijftien man personeel. Dankzij zijn literaire werk drong hij door tot de hoogste tempel van Frankrijk, de Académie Française. Als ‘onsterfelijke’ was hij met trompetgeschal bejubeld, onder de koepel van een van Frankrijks meest prestigieuze instituties. Wat is het dan heerlijk om weer eens ‘niemand’ te zijn! Iemand die gewoon ergens achter een boom moet hurken om zijn behoefte te doen. En wat is het fijn om ‘dat hele kostuum van verantwoordelijkheden, successen en mislukkingen’ eens van je af te laten glijden, toch nog even ‘iemand anders’ te kunnen zijn, ook al is je leven eigenlijk al helemaal gevormd.

Smakelijk schrijft hij over zijn inschrijving voor de tocht in een Parijs’ kantoortje van de Vrienden van Saint-Jacques, over de aankoop van de ‘credencial’, het boekje waarin alle etappestempels worden gezet. Over de flirts onderweg. Hoe hij afziet, pijn lijdt, er als een zwerver uit gaat zien – hij beschrijft het met verve.

Angsten

„De reis heeft mijn leven niet fundamenteel veranderd”, vertelt Rufin. „Maar als ik er één ding van heb geleerd, is het dat je je rugzakje licht moet houden. In de maanden na mijn terugkeer heb ik over mijn leven, mijn angsten nagedacht. Ik heb me zo veel mogelijk ontdaan van alles wat me bedrukte, van objecten, van plannen, van alles wat me beperkte. Ik heb bekeken wat ik allemaal met me meezeul en van alles laten vallen. Alles wat op mijn pad komt, bekijk ik nu met meer afstand. Ik ben in alles gematigder geworden.

„Dat komt overeen met de levensfase waarin ik me bevind: ik meet de tijd die ik nog heb en ik besef dat ik niet alles meer kan doen. Ik maak duidelijkere keuzes dan vroeger. Een tijdje geleden werd me gevraagd of ik burgemeester wilde worden van een grote stad. Ik heb er drie dagen over nagedacht. Drie dagen te veel. Campagne voeren, een mandaat van zes jaar. Nee. Ik hoor niet bij een partij, ik ken dat hele politieke schaakbord maar al te goed. Daar wil ik geen deel van uitmaken. Als ze opnieuw een beroep doen op mensen van buiten, op mensen met relevante expertise, doe ik misschien weer mee.”

Jean-Christophe Rufin (1952) is schrijver en essayist, arts, een van de oprichters van Artsen zonder Grenzen en Action contre la faim en oud-ambassadeur. Als racismedeskundige en onderhandelingsspecialist op het gebied van terrorisme en ontvoeringen doceert hij aan het Institut d’études politiques in Parijs.

Zijn literaire oeuvre omvat historische avonturenromans à la Alexandre Dumas, essays, korte verhalen en een sciencefictionroman over de ontregeling van een globaliserende wereld. Recent publiceerde hij, naast Compostela, een verhalenbundel en een historische roman over Jacques Coeur, schatkistbewaarder van Karel VII.

Het is een bijzonder traject voor iemand die in eerste instantie medicijnen ging studeren.

Maar was die studie nu een goed begin of een valse start? Rufin: „Ik heb lang gedacht dat het een verkeerde keuze was, had het gevoel tegen de stroom in te zwemmen. Nu zie ik dat anders. Geen enkele andere studie zou me zo veel hebben geleerd over de mens. Als arts heb je een nuttig, goed gedefinieerd vak. Maar het is ook een vak dat je opsluit, het opent zich, slokt je op en je komt er niet meer uit.”

In zijn autobiografie Un léopard sur le garrot. Chroniques d’un médecin nomade (2008) – een must voor elke medicijnenstudent –, vertelt hij hoe hij ‘als een hamster in een witte jas’ alsmaar door rende in zijn ziekenhuisrad. Een gevangene van zijn vak was hij, jaloers op zijn patiënten die dan wel ziek waren, maar tenminste geleefd hadden. „Ik dacht in het begin dat de mens overal hetzelfde was en alleen de ziekte anders. Toen ik een aanstelling in Tunesië kreeg, realiseerde ik me dat juist het omgekeerde het geval was. Ik ontdekte daar een wereld met een nieuwe culturele, sociale en politieke dimensie.”

Hij ontmoette de fameuze Bernard Kouchner, raakte betrokken bij Artsen zonder Grenzen, toen nog een clubje idealisten, en zag hoe achter de schermen het machtsspel werd gespeeld. Twintig jaar werkte hij voor diverse internationale hulporganisaties, nog steeds adviseert hij een aantal van hen. Wat er veranderd is? „Toen ik begon waren we klein, niet zo efficiënt, we hadden geen middelen, maar we brachten hulp, heel direct, aan mensen in nood. Nu zijn de ngo’s rijker, veel beter georganiseerd, maar iedereen zit achter een computer, zonder enig direct contact met de mensen zelf. Het is als een multinational. Het werk heeft zijn betekenis verloren. Ze hebben het over minuscule percentages, budgetten. Misschien kan het niet anders, we kunnen niet allemaal moeder Teresa zijn, maar dat werk is totaal betekenisloos, losgezongen van de realiteit. Al die idealistische jongeren van nu worden gewoon bureaucraten.”

Rol van Europa

Hij heeft de macht van de EU groter zien worden. „De EU is een bank die ngo’s financiert, natuurlijk laten die hun oren hangen naar hun financier, ook politiek. Zodra er programma’s worden gefinancierd met publiek geld, heb je ook te maken met een sociaal statuut voor vrijwilligers. Logisch, ik had de verantwoordelijkheid voor driehonderd jongeren, als hen iets gebeurde, was ik verantwoordelijk, daar lag ik wakker van. Nu vertrekken ze uit zulke 'gevaarlijke gebieden. Ze gaan weg uit de crisiszones en in plaats daarvan naar de voor de EU interessante gebieden. Hulp gaat niet meer daarheen waar het nodig is, maar waar onze eigen prioriteiten liggen.”

Rufin maakt zich zorgen over de kortingen op de ontwikkelingshulpbudgetten. Niet zozeer over de urgente hulpacties, die zijn kort en niet zo duur. Maar de ontwikkelingsprogramma’s voor de langere termijn lijden onder de crisis. „Het grootste probleem is dat de rol van Europa en de VS, die in een crisis zitten, niet wordt overgenomen door opkomende landen als Brazilië, India en China. Waarom zouden ze Afrika steunen? Ga in Peking de kleine straatjes in en je komt in een derdewereldtafereel. Ze doen aan ‘trade’, niet aan ‘aid’. De rijke Arabische landen vervangen ons ook niet. Die bouwen liever moskeeën of financieren rebellen.”

Als er een rode lijn is in Rufins werk en schrijverschap dan is dat het dilemma tussen de wil enerzijds ergens bij te horen, geëngageerd te zijn, en anderzijds het verlangen autonoom en vrij te zijn. „Ik heb me nooit laten opsluiten in een bureaucratie, dat is de grootste valkuil. De hoofdpersoon van mijn laatste roman, Jacques Coeur, begrijpt pas wat vrijheid is als hij alles is kwijtgeraakt.”

Gevraagd of zijn voettocht zijn schrijverschap heeft beïnvloed, zegt hij: „Ik heb de indruk dat er iets is veranderd. Le collier rouge, mijn korte roman die net uit is, vind ik zelf erg goed. Het komt nooit voor dat ik tevreden ben over een boek dat ik heb geschreven. Dit kwam voort uit een anekdote van niets, het gaat over een hond die blaft voor de cel waarin zijn baas zit opgesloten. Ik heb het in tien dagen geschreven, op een manier die ik niet kende: zonder research, zonder een van tevoren bepaalde structuur.” In dat schrijverschap lijkt Rufin de oplossing te hebben gevonden voor zijn innerlijke verscheurdheid om enerzijds helemaal in iets te willen duiken en er aan de andere kant ook buiten te willen blijven.

Rufin: „Schrijven brengt me de synthese. Schrijven is volledige vrijheid. Het voordeel van boeken schrijven is dat je ze naderhand ook zelf kunt lezen. Dan begrijp je meer van wat er met je gebeurd is. Bovendien leef ik van de pen. Georges Bernanos zei altijd dat hij in zijn jeugd een vak had moeten leren, maar dat hij uiteindelijk van zijn dromen had kunnen leven. Dat geldt voor mij ook.”

 https://www.nrc.nl/nieuws/2014/08/29/na-santiago-ben-ik-in-alles-gematigder-geworden-1414003-a986472

----------------------------------------------------------------------------------------------- 

Compostella, voetreis naar het einde van de wereld 

Jean-Christophe Rufin

De Franse schrijver en academicus Jean-Christophe Rufin verbaasde zichzelf en zijn omgeving door naar Santiago de Compostella te stappen. 785 kilometer lang volgt hij de Chemin du Nord, een route die veel minder druk is dan de gebruikelijke pelgrimstocht. Maar waarom doet een mens dat? 'Telkens als iemand me die vraagt stelt, kan ik daar zeer moeilijk op antwoorden', schrijft Rufin. 'Ik ben gewoon vertrokken, dat is alles.'De reis leidt hem langs de Baskische en Cantabrische kust, en over de wilde bergen van Asturië en Galicië. Maar hooggestemde heroïek is niet aan hem besteed. Rufin is een fijnzinnige observator van wat ons, mensen, beweegt. Zijn Compostella. Voetreis naar het einde van de wereld past in het rijtje van de grote literaire reisverhalen. Rufin schetst het ene amusante portret na het andere, filosofeert er ludiek op los, en oefent zich in zelfspot, humor en verwondering. Eens op reis, altijd op reis.
https://www.bol.com/nl/nl/f/compostella/9200000026320144/
--------------------------------------------------------------------------------------------------
 Compostella. Voetreis naar het einde van de wereld (Immortelle Randonnée

Recensie: Neem de kustroute, en reis licht, pelgrim

30 november 2015 , door Godeke Donner
| | | |

‘Toen ik naar Santiago vertrok, zocht ik niets, en ik heb het gevonden.’ Jean-Christophe Rufin is medeoprichter van Artsen zonder Grenzen, voormalig ambassadeur in Senegal, ‘onsterfelijk’ lid van de Académie française. Hij schreef het aanstekelijke Compostella. Voetreis naar het einde van de wereld (Immortelle Randonnée, vertaald door Katelijne de Vuyst) op uitdrukkelijk verzoek van een bevriende uitgever. Zelf had hij tijdens zijn wandeling geen letter op papier gezet. Sterker, met afgrijzen bekeek hij zijn medewandelaars die ’s avonds hun schriftje uit de rugzak opdiepten om minutieus hun dag te noteren. Door godeke donner.

Een andere route

Rufin, een zestigjarige wandelaar die al heel wat bergen in de wereld had beklommen en als arts in vele uithoeken van de wereld had gewerkt, beschouwde de pelgrimstocht als niet meer dan een sportieve uitdaging. Er kwamen wat hem betreft geen religieuze of spirituele motieven aan te pas en met argwaan bekeek hij de devote pelgrims die net als hij op weg gingen naar Santiago. Maar al zocht hij niets, onderweg werd hem van alles duidelijk. En wij als lezers mogen meekijken en meebeleven, want wat kan Rufin goed vertellen.

De ‘Camino’ zoals de pelgrimstocht naar Santiago onder wandelaars wordt genoemd (de begroeting onderweg luidt steevast: ‘Buen camino!’) is het succesverhaal van een kluizenaar die twaalf eeuwen geleden wat botjes in een uithoek van Galicië identificeerde als de resten van de apostel Jacobus. Sinds de Middeleeuwen liep er al een constante stroom pelgrims Noord-Spanje door, maar in de afgelopen 25 jaar is het gemiddelde van zo’n tweeduizend pelgrims per jaar uitgedijd naar de geschatte 220.000 dit jaar.

Al dat pelgrimsvolk is Rufin een gruwel en daarom besluit hij de kustroute te nemen die – anders dan de gangbare Camino Francés – nauwelijks wordt gelopen. Zijn eerste incident vertelt hij met enige terughoudendheid maar hij noemt het een betekenisvolle stap in de aanpassing aan zijn pelgrimsstatus. Hij beschrijft hoe hij met hoge nood moet hij neerhurken in een perk bij San Sebastián:

‘De voorbije jaren had men me achtereenvolgens met allerlei prestigieuze sociale functies bekleed, maar ik wilde niet dat die een soort luxe lijkwade zouden worden waarin mijn vrijheid werd begraven. En zie, de ambassadeur die in zijn ambtswoning werd gediend door een vijftiental personeelsleden in witte livrei, het lid van de Académie dat met veel tromgeroffel onder de koepel van het gebouw was binnengehaald, daar zag je hem tussen de boomstammen in een anoniem park wegrennen om de nietigste en tegelijkertijd onsmakelijkste van alle misstappen te verbergen. Geloof me maar, het is een nuttige ervaring die ik sommige mensen haast zou willen aanbevelen.’

Een leuke man, denk je dan. Al gauw hang je aan zijn lippen als hij de verrassingen opdist die op zijn weg komen. Daarbij horen verdwalen, overvallen worden door hagelstormen in juni en de ontmoetingen onderweg, zoals die met een Duitse, in origineel pelgrimsgewaad geklede wandelaar die hem elke avond bij aankomst in de volgende plaats begroet al vertrekt hij later dan Rufin. Hoe kan dat nou, peinst Rufin, tot hij de man onderweg stiekem een taxi ziet nemen. Dagelijks staan Spaanse chauffeurs rugzakken van de pelgrims uit bussen te laden, bij hotelletjes en bij herbergen. Want hoewel het gros nog met bepakking loopt, zijn er steeds meer pelgrims die hun bagage gemotoriseerd laten vervoeren.

Pelgrimsroes tussen boeddha en medepelgrims

Zo niet Rufin. ’s Avonds zet hij het liefst zijn meegenomen tentje op. Van herbergen moet hij sowieso niet veel hebben want daar ‘veranderen de neusholten van sommige slapers in jachthoorns’. Het is inderdaad één van de nadelen van het overnachten op immense slaapzalen, dat er altijd wel een paar pelgrims (en je weet nooit wie dus je kunt er je plek niet op uitzoeken) snurksalvo’s ten beste geven die de anderen de hele nacht wakkerhouden.

Het andere verschil tussen Rufin en de meeste andere pelgrims die een boek schrijven over hun tocht (en dat zijn er veel te veel) is dat hij helder en ontzettend herkenbaar uiteen weet te zetten wat er al wandelend met je gebeurt voor wie ooit ook de Camino liep. Hij constateert dat er eerst een fysieke gedaantewisseling optreedt wanneer hij geen schone kleren meer heeft en zijn voeten permanent stinken, en hoe dat alles ‘m niks meer kan schelen.

Dat is nog niets vergeleken met de spirituele metamorfose die erop volgt. De opgewekte wandelaar heeft aanvankelijk genoeg aan de open lucht om zijn geest aan het denken te zetten. De tred werkt op je gedachten als een krukas, zegt Rufin: je krijgt vleugels en bent grenzeloos optimistisch over het te bereiken doel. Maar dan komen de mankementen in de vorm van stijve spieren, blaren en krakende gewrichten. Want dertig kilometer lopen op een dag put al je reserves uit. De ergernis slaat toe, concentreren lukt niet meer en voor je het weet ga je houvast zoeken in de religieuze dimensie van de bedevaart. Of in elk geval zoek je troost in de wetenschap dat je deel uitmaakt van een eindeloze reeks pelgrims die in de loop der tijden deze weg ook hebben gelopen.

Uiteindelijk bereik je een staat van genade. Door de lichamelijke ontberingen kom je in een roes terecht. Als ik nog een maand langer had moeten lopen, had ik het zonder morren gedaan, schrijft hij. Maar steeds als de boeddha in zicht is, verschijnt er wel een medepelgrim op zijn pad aan wie hij zich onmetelijk ergert of aan wie hij zich in een enkel geval gaat hechten. En net als Rufin zelf val je als lezer van ontroering in lachstuip.

Een lichte rugzak voor thuis

De laatste etappes van de reis wordt Rufin vergezeld door zijn vrouw. Bepakt en bezakt staat ze op hem te wachten bij het station van Lugo. Hij kan er als onvoorwaardelijk aanhanger van het ULB-axioma (Ultra Lightweight Backpacking) wel de humor van inzien dat hij gedwongen wordt haar zwaarlijvige beautycase in zijn rugzak te proppen en er de laatste honderd kilometer naar Santiago mee te lopen.

Compostella werd in Frankrijk een bestseller. Geen wonder, je kunt je laven aan dit boek of je nu een ervaren Camino-ganger bent of liever vanuit je stoel reist. Met zijn eruditie en levenservaring weet Rufin de pelgrim in ons allemaal aan te spreken.

Als je een maand buiten hebt geleefd met alleen het hoogstnodige op je rug, voelt de terugkeer naar de gewone wereld in eerste instantie als onverdraaglijk. Je zintuigen moeten één voor één weer in het alledaagse gareel. Liever dan het zachtste bed of je meest comfortabele stoel is je nog steeds je slaapmatje. Rufin zegt dan ook: ‘Als je één ding leert van de Camino, is het om je rugzak licht te houden.’ Vanzelfsprekend onderweg, maar vooral na thuiskomst.

Godeke Donner studeerde Nederlandse Letterkunde en Algemene Literatuurwetenschap en schreef boekrecensies voor verschillende kranten. 

https://www.athenaeum.nl/recensies/archief/2014/neem-de-kustroute-en-reis-licht-pelgrim 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------


 


Emile Zola








de schrijver


Zola bracht zijn jeugd en zijn schooljaren door te Aix-en-Provence, waar zijn vader, van Italiaanse origine, ingenieur was.

Hij wordt gezien als het belangrijkste voorbeeld voor de stroming van het naturalisme dat rond 1870 opkomt. In de wetenschap had het ‘positivisme’ zijn intrede gedaan: men hield zich bezig met objectief waarneembare feiten, die volgens wetten van oorzaak en gevolg verklaard konden worden. Dat gold, dacht men, ook voor het menselijk gedrag. Zola werd beïnvloed door het werk van Hyppolite Taine. Deze had betoogd dat de aard van een volk wordt gedetermineerd door ras, milieu en moment. Milieu was bij hem een breed begrip: natuurlijke omgeving, inclusief klimaat, en moment was een periode in de geschiedenis. Zola verkleinde deze begrippen tot bepalende factoren in het leven van een individu: afkomst, sociaal milieu en moment van handeling. Deze opvatting noemen we determinisme. Schrijvers als Zola zagen het schrijven van een roman als een wetenschappelijk experiment, en de schrijftafel als een laboratorium.

Zijn boek Thérèse Raquin (1867) was volgens hem dan ook een wetenschappelijke studie waarin hij de psychologie van de personages herleidde tot haar fysiologische oorzaken. Het idee was dat gedachten en gevoelens producten zijn van de hersenen, zoals maagzuur een product is van de maag. In het voorwoord van het boek zegt hij dan ook dat ‘liefde en berouw organische aandoeningen zijn’ en dat hij geen ‘karakters’ beschrijft maar ‘temperamenten’. In die tijd was er namelijk binnen de medische wetenschap een theorie dat mensen ingedeeld konden worden in een aantal verschillende temperamenten. De meest voorkomende temperamenten waren de sanguinici (overwicht van bloed) en de nerveuzen (overwicht van zenuwen). Zola bracht in zijn boek twee tegenovergestelde temperamenten met elkaar in contact. Zijn ‘observaties’ leerden hem dat tegengestelde temperamenten elkaar aantrokken en gelijkgestemde temperamenten elkaar afstootten. 

Het naturalisme legt de nadruk op de negatieve tot soms ronduit morbide kanten van het leven (depressies, sociale ellende, ontregelde seksualiteit...). Zola's voorliefde voor 'dirty realism', of zoals Alfred Nobel het ooit uitdrukte 'smoezeligheid', kostte hem in 1900 de Nobelprijs. In 1887 verscheen in Le Figaro al een manifest  waarin Zola zwartgemaakt werd n.a.v. de publicatie van een van zijn romans. 

Maar Zola beschrijft de werkelijkheid niet alleen, hij wil die ook veranderen. Het naturalisme is een geëngageerde stroming die sterk beïnvloed is door het socialisme. Voor zijn roman Germinal (1885) bijvoorbeeld doet Zola grondig onderzoek in de mijnstreek in Noord-Frankrijk, waar in die periode heftige stakingen zijn. Hij daalt samen met de arbeiders af in de mijnen en luistert naar hun verhalen over armoede en uitbuiting. Met  zijn open brief J'accuse...! (1898) omtrent de Dreyfusaffaire kiest hij partij voor de Joodse legerkapitein Alfred Dreyfus, die ten onrechte van spionage was beschuldigd. Zola kritiseerde hiermee het nationalisme en anti-semitisme in de politiek en het leger. Het was een belangrijke politieke kwestie die Frankrijk jarenlang bezighield. Na de open brief J'Accuse...! in 1898 werd Zola veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf. Hij wachtte daar niet op, maar week uit naar Groot-Brittannië. Na een jaar kon hij terugkomen en werd hij als held ontvangen. 

Sinds de tijd van Zola is heel wat discussie gevoerd over wat is aangeboren en wat is aangeleerd (nature-nurture-debat), dat juist ook in onze tijd weer volop in de belangstelling staat nu het menselijk genoom grotendeels ontrafeld is en nieuwe technieken nieuwe vormen van hersenonderzoek mogelijk maken. De vraagstelling van Zola was dus eigenlijk heel modern, de vraag was alleen of je die ook in een roman kunt behandelen waar je ook wetenschappelijke claims aan verbindt. Tegenwoordig is men het er wel over eens dat de stelling van een experimentele roman niet houdbaar is. 

De bloeitijd van het naturalisme lag tussen 1877 en 1884. De stroming begon aan slijtage te lijden doordat steeds dezelfde artistieke formule herhaald werd en ook omdat het intellectuele klimaat rond die tijd veranderd was. Het positivisme was op zijn retour, men voelde juist een behoefte aan mysticisme. De weg lag open voor de volgende stroming: het Symbolisme.


het boek:Thérèse Raquin

korte inhoud In de jaren zestig van de negentiende eeuw drijft Madame Raquin in Parijs een fourniturenwinkeltje. In de smalle passage, vlakbij de Pont-Neuf, waar vaak paartjes staan te vrijen, stinkt het en de glazen overkapping is zwart van het vuil. Uit de winkeltjes – oude boeken, valse juwelen – stijgt een kille kelderlucht op. 's Avonds, bij een povere verlichting, lijkt de passage wel een moordhol en voorbijgangers voelen zich er niet op hun gemak. Madame Raquin wordt in haar winkeltje geholpen door haar nichtje Thérèse, die ze heeft gekoppeld aan haar ziekelijke zoon Camille. Het hartstochtelijke meisje begint een verhouding met de knappe amateurschilder Laurent. De echtgenoot staat de geliefden in de weg en word, tijdens een boottochtje verdronken, maar de moordenaars blijken buiten het sluipende schuldgevoel te hebben gerekend.
http://vorige.nrc.nl/dossiers/nobelprijs_literatuur/nt_geen_nobelprijs/article1566959.ece


Vol onbegrip en  verontwaardiging ontving de literaire kritiek Emile Zola's roman Thérèse Raquin toen deze in 1867 verscheen. De schrijver zou daarin slechts een lange reeks obscene taferelen hebben geschilderd. Zola zag zich hierdoor gedwongen de tweede druk van Thérèse Raquin vooraf te laten gaan door een voorwoord waarin hij zijn bedoelingen uitlegde. In dat voorwoord, opgenomen in deze nieuwe vertaling door Jelle Noorman, verklaart Zola dat hij, beïnvloed door de roman Germinie Lacerteux van de gebroeders Goncourt en de deterministische denkbeelden van de filosoof Hippolyte Taine ('Deugd en ondeugd zijn producten, net als suiker en vitriool'), een zuiver wetenschappelijk doel beoogde. Aan de hand van de verhouding tussen een potente man en een onbevredigde vrouw (twee uiteenlopende temperamenten) wilde hij het dierlijke in deze personages blootleggen door hun handelen zuiver fysiologisch te bepalen. Wat ogenschijnlijk een romantische liefdesgeschiedenis is, loopt uit op een ontluisterend drama van moord en zelfmoord. Thérèse Raquin is Zola's oerboek en een ijkpunt in de literatuurgeschiedenis omdat het de eerste waarlijk naturalistische roman is. Het naturalistische procédé zou hij later uitwerken in de twintigdelige romancyclus Les Rougon-Macquart.Emile Zola (1840-1902) is een van de grote schrijvers van het Franse fin-de-siècle. Hij behoort tot de grondleggers van de moderne roman.
https://www.bol.com/nl/f/therese-raquin/30010996/


artikelen
 

1-0 voor Eros

In een serie over klassieken uit de wereldliteratuur deze keer “De misstap van pastoor Mouret' van Émile Zola (Uit het Frans vertaald door Floor Borsboom. Wereldbibliotheek, 334 blz., 17,90), Arnold Heumakers,
Van de romans van Émile Zola (1840- 1902) kun je genieten als van goede B-films. Het verhaal is eigenlijk te melodramatisch, de stijl te zwaar aangezet, maar mijn hemel, wat is het allemaal meeslepend. De kritiek, hoe terecht ook, verdampt tijdens het kijken of lezen. Net als een goede B-film is een roman van Zola spectaculair. Letterlijk: wat de woorden betekenen zie je voor je, op zo'n overweldigende manier dat er geen ruimte over blijft voor iets anders. Wie zich er aan heeft overgegeven, is verloren tot het einde.
La faute de l'abbé Mouret (1875) is deel vijf van de 20 delen tellende Rougon- Macquart-cyclus, Zola's “natuurlijke en sociale historie van een familie in het Tweede Keizerrijk'. In de onlangs verschenen nieuwe Nederlandse vertaling (De misstap van pastoor Mouret) wordt daar nauwelijks aandacht aan besteed. Er is bijvoorbeeld gee
n nawoord, waarin wordt uitgelegd dat het aan waanzin grenzende mysticisme van de jonge pastoor Serge Mouret een erfelijke oorsprong heeft. Binnen de roman brengt alleen diens oom, dokter Pascal Rougon, even het familiale “bloed' ter sprake; hij is het die de pastoor en diens onnozele zusje Désirée “echte Rougons en echte Macquarts' noemt, “de laatsten van het hele stel, het eindpunt van de degeneratie'.
Veel maakt het ook niet uit. Om De misstap van pastoor Mouret te waarderen hoef je de details van Zola's naturalisme niet te kennen. De roman kan heel goed op zichzelf staan, als het dramatische verslag van de strijd tussen natuur en religie, meer speciaal tussen Eros en Thanatos, geschreven lang voordat Freud met die thematiek aan de haal ging.
Het verhaal zelf is van een grote eenvoud: een 25-jarige pastoor laat zich zozeer meeslepen door zijn eigen verlangen naar vroomheid dat het hem bijna krankzinnig maakt. De dokter vindt dat hij er eens helemaal uit moet, en brengt hem onder op een nabijgelegen landgoed, waar hij wordt verzorgd door een 16-jarig meisje. En jawel, ze worden verliefd, zodra de pastoor (die zijn vrome verleden totaal lijkt te zijn vergeten) weer op krachten is gekomen. Na de daad gaat het mis. De herinnering aan priesterschap en parochie keert terug, de pastoor verlaat het idyllische landgoed, valt ten prooi aan hevige gewetensstrijd, zoekt opnieuw zijn geliefde op, maar de ban blijkt gebroken. Waarop zij in een verstikkende bloemenzee zelfmoord pleegt en hij haar in herwonnen vroomheid ter aarde bestelt.
Een verhaal van niks, zou je zeggen. Bovendien volkomen achterhaald. Want ook al verschijnen woedende gelovigen tegenwoordig bijna dagelijks in het nieuws, enige gewetensstrijd lijkt er niet meer aan te pas te komen. Allemaal waar - totdat je de roman gaat lezen en het er niet meer toe doet. Aanvankelijk springt nog de research in het oog (de ongelovige Zola blijkt werkelijk alles van het misoffer te weten), maar daarna gaan de remmen los en stort de taal zich over de lezer uit. Hier is iemand aan het schrijven op een onbekrompen, uitbundige manier, iemand die nooit woorden tekort komt en bij wie er altijd wel een schepje bovenop kan, zonder dat het hol of loos wordt. Bij ons kan wat dit betreft alleen A.F.Th. van der Heijden in zijn schaduw staan.
Zola's naturalisme geldt als een vorm van realisme, maar in deze roman valt veel meer de symbolische geladenheid op. In het eerste deel (het boek bestaat uit drie delen) duikt van alle kanten, zowel bij de primitieve parochianen als bij de natuur zelf, de levende, sensuele, dankzij de zon stralende vruchtbaarheid op, die pastoor Mourets nachtelijke Maria-mystiek (een doorzichtig geval van sublimatie) bedreigt. In het tweede deel bevinden we ons midden in een nieuw aards paradijs, waar de pastoor (nu nog alleen “Serge' geheten) voor de tweede keer geboren wordt en Zola zo ongeveer het hele planten- en bloemenrijk te hulp roept om een sfeer van bloesemende overdaad te creëren: “Een zee van groen, voor, rechts, links, overal. Een deinende zee van gebladerte die, niet belemmerd door een huis, een muur of een stoffige weg, tot aan de horizon voortrolde. Een lege, maagdelijke, heilige zee, die in de onschuld van de eenzaamheid zijn woeste zachtheid tentoonspreidde'. Et cetera.
Vanwege die “onschuld' duurt het toch nog bijna honderd bladzijden voordat de beide geliefden het daadwerkelijk met elkaar doen, wat na alle vegetatieve anticipatie weer opmerkelijk sober wordt beschreven: “Albine gaf zich over. Serge bezat haar'. Iets bonter pakt het commentaar uit: “Het was een overwinning voor de dieren, de planten en de dingen, die hadden gewild dat deze twee kinderen hun intrede deden in de eeuwige kringloop van het leven. Het park barstte uit in luid gejuich'.
1-0 dus voor Eros en voor de natuur.
Volgt de verdrijving, in aanwezigheid van een heuse aartsengel (de botte, vrouwenhatende broeder Archangias), want niet alleen het paradijs, ook de erfzonde krijgt in deze roman een symbolische herhaling. In het derde deel barst de gewetensstrijd los, vergezeld van een schitterende hallucinatie, die zo in een echte B-film had gekund. De natuur, bij Zola niet alleen voorzien van een eigen wil maar ook van het vermogen daar actief gevolg aan te geven, rukt op naar de kerk waar pastoor Serge zich aan Christus en het kruis heeft vastgeklampt:
“Weldra was alles in beweging: wijnstokken kropen voort als enorme insecten, magere korenhalmen en droge grassprieten vormden bataljons van lange lansen, bomen ijlden voort met wapperende haren, rekten hun ledematen uit als worstelaars die zich opmaken voor de strijd, afgevallen bladeren trokken op, het stof van de wegen trok op. Het was een menigte die bij elke stap nieuwe rekruten wierf, een bronstig volk dat hijgend naderde, een vloedgolf van leven met een verzengende adem, die alles meesleurde in de maalstroom van een kolossale bevalling'.
Voor de volledigheid: tenslotte wint de religie, al valt de dubbelzinnigheid van deze uitslag moeilijk over het hoofd te zien. De triomf van de religie is immers óók de triomf van de dood: de tuin verandert in een “graf', Serge biedt zich aan God aan als “een leeg huis waarin u kunt wonen.' Zo ondermijnt Zola de schijnbare moraal van zijn ontknoping. Maar in feite gebeurt dat al het hele boek door: via het onweerstaanbare natuurgeweld van zijn even zinnelijke als zinderende proza, waarvoor vertaalster Floor Borsboom in het Nederlands een bewonderenswaardig, niet voor het oorspronkelijke Frans onderdoend equivalent heeft weten te vinden.
http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/recensie/1-0-voor-eros
-----------------------------------------------------------------------------

Een zielig zigeunertje

In een serie over vertaalde klassieken deze keer `De Nekslag' van Émile Zola (Vertaald door Hans van Cuijlenborg, nawoord en annotatie Bart Van Loo. L.J. Veen, 536 blz. euro 34,90), Hans den Hartog Jager,
De nieuwe vertaling van Émile Zola's roman De Nekslag (L'assommoir, 1877) wordt door uitgeverij Veen gepresenteerd met een caféscène van Edouard Manet op de voorkant. Dat lijkt een slimme zet. Van alle stromingen, substromingen en onderstromingen die rond 1870 in de Franse kunst het licht zagen is het impressionisme in Nederland tegenwoordig ongetwijfeld de populairste. Tegelijk is er geen literaire stroming die op zo weinig belangstelling kan rekenen als het naturalisme. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het beeld van grauwe, negentiende-eeuwse stadswijken, van armoede en honger en de vage geur van arbeideristisch pamflettisme waarmee Zola's werk nog altijd wordt geassocieerd. Dat gebrek aan belangstelling wordt nog eens versterkt doordat een groot deel van Zola's romanoeuvre (waaronder De Nekslag) is ondergebracht in één reeks, de Rougon-Macquart-cyclus die hij schreef tussen 1871 en 1893, in totaal twintig delen die zelden met minder dan een pagina of driehonderd genoegen nemen.
Inderdaad is De Nekslag (ruim vijfhonderd bladzijden) op het eerste gezicht alles wat een lezer zich bij een Zola-roman voorstelt. De hoofdpersoon is Gervaise Macquart, deel van de `verarmde' tak uit de Rougon-Macquart-familie, die met haar minnaar Lantier vanuit het zuiden van Frankrijk naar Parijs is getogen om het geluk te vinden. Aanvankelijk gaat dat mis; Lantier verlaat Gervaise en de armoede klopt aan de deur, maar door inventiviteit en wilskracht weet onze heldin een eigen wasserij te beginnen. Ze vindt zelfs een nieuwe man, de goedaardige zinkwerker Coupeau. Korte tijd gaan de zaken naar wens en kent het echtpaar voorspoed; dan valt Coupeau van het dak, laat zijn werk versloffen en raakt aan de drank. Vervolgens keert Lantier terug op het oude nest, zodat Gervaise uiteindelijk samenwoont met twee mannen die haar financieel en moreel leegzuigen. Ze laat het gebeuren.
Langzaam volgen we in De Nekslag (genoemd naar het café waar de waard `Pa Colombe' het arbeidersvolk `vergiftigt' met zelfgestookte drank) Gervaise's aftakeling. Schulden dwingen haar de wasserij van de hand doen, haar man verandert in een korsakoviaanse alcoholicus, haar dochter Nana belandt in de prostitutie en aan het eind sterft Gervaise zelf aan lamlendigheid, kou, honger en gekte. Zola schuwt daarbij geen enkel sentiment: zo voert hij een vertederend achtjarig buurmeisje op dat na de dood van haar moeder de zorg voor haar kleine broertje en zusje op zich neemt maar door haar vader tot stervens toe wordt mishandeld, en er komt ook een goedaardige smid (met blonde baard!) in voor die zijn hele leven lang verliefd blijft op Gervaise, zonder haar van de ondergang te kunnen redden.
Wie dit alles leest vraagt zich soms af of de uitgeverij niet beter een huilend zigeunertje op de voorkant had kunnen zetten. Als één schilderij het boek zou samenvatten, dan zou dat inderdaad zo'n sentimentele scène zijn, maar dan geschilderd door Rembrandt of Vélazquez of Titiaan – door een ware meester, kortom. Want dat is het wonder van De Nekslag: een banaal drama, een clichématige vertelling, door Zola gevat in een ronduit briljante stijl. Zola beheerst de taal als geen ander, hij laat haar huppelen en springen, wisselt spreektaal af met subtiel meanderende lange zinnen, en strooit over dit alles een vette laag ongegeneerd bargoens (dat overigens, net als de rest van het boek, uitstekend is vertaald door Hans van Cuijlenborg).
Hoe verder je leest, hoe meer je beseft dat Zola zijn dubieuze reputatie vooral dankt aan zijn onderwerpskeuze, maar dat hij in ere hersteld dient te worden door zijn taal. Sommige scènes in De Nekslag zijn adembenemend goed geschreven: die van het somptueuze diner bijvoorbeeld, dat Gervaise op het toppunt van haar welvaart aanricht in de wasserij. Inclusief voorbereidingen trekt Zola daar zomaar een bladzij of vijftig voor uit, waarbij de weelderigheid van zijn taal prachtig aansluit bij de overdaad aan wijn, salades, kalfsragout en gebraden vette gans die op de pagina's voorbij trekt. Nog beter is de klassieke (kortere) scène aan het begin waarin Zola Gervaise in een openbare wasinrichting in gevecht laat raken met haar latere vriendin Virginie: `Virginie was Gervaise naar de keel gevlogen. Ze omklemde haar nek, probeerde haar te wurgen. Maar toen de laatste zich met een felle ruk losmaakte, ging zij aan de staart van haar knoet hangen, alsof ze haar hoofd wilde afrukken. De slag begon weer, dreigend, zonder een kreet, zonder scheldwoorden. Ze gingen elkaar niet te lijf, maar vielen elkaars gezicht aan, met gespreide en gekromde vingers, knepen, krabden wat ze maar tegenkwamen' – en zo bladzijden door.
Zo wordt ook duidelijk dat het met Zola's `kopieerlust des dagelijksen levens' wel meevalt. Als zijn naturalisme al stoort, dan is het in de bewuste `oppervlakkigheid', in die zin dat hij zijn lezers nauwelijks aanzet tot doordenken, en ook geen inzichten verschaft waar je niet zelf had kunnen opkomen. Dat betekent niet dat De Nekslag niet intelligent is, alleen stopt Zola al die intelligentie in de compositie. Bovenal is De Nekslag superieur gestructureerd; het staat vol met vooruitwijzingen, hints, voorspellingen en wederkeringen die stuk voor stuk tot doel hebben de lezer bij zijn kladden te pakken en niet meer los te laten. Daarmee wordt des te duidelijker dat het Zola, de schrijver, is die over het lot van zijn personages heerst en niet het leven, de wereld of de omstandigheden. Als De Nekslag één ding bewijst, dan is het dat het hoogtijd wordt dat Zola van zijn naturalisme-stigma afkomt en ook in Nederland gewaardeerd wordt voor wat hij is: een groot schrijver.
http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/recensie/een-zielig-zigeunertje

...Onder de uitroep "Brood, Brood!' trekken ze in een woeste tocht, waarbij ze alles wat op hun weg komt vernielen, door het gebied tussen Lille en Valenciennes. Bij een van de mijnen ontmoeten ze echter weerstand van "vader' Quandieu die haar bewaakt als een Cerberus. ""Ik heb'', zegt Quandieu, ""de opdracht gekregen de mijn te bewaken, dus dat doe ik.'' Verder reikte het verstand van vader Quandieu niet. ""Met de weinige hersenen die hij had en met ogen die bijna waren uitgeblust door de sombere droefheid van een halve eeuw werken onder de grond, hield hij star vast aan zijn militaire plichtsgevoel,'' aldus Zola.(Germinal / de mijn)
http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/recensie/de-echtheid-van-zolas-mijnen

Blood and nerves

Murder, suicide, cat-killing and psychological torture - 150 years after it was written, Émile Zola's Thérèse Raquin is as shocking as ever. But does it work as a play, asks Julian Barnes

It was with a trepidatious forefinger that I wiped the dust from the top edge of my copy of Thérèse Raquin and looked at the ownership date: 1969. I had taken the novel down because Thérèse Raquin the play was about to open at the National Theatre. I hadn't read the novel since teaching Zola to a couple of external London University students at a dubious crammer. I had gone for the job interview, ready to confess that you could get a degree in French, as I recently had, without reading a word of Zola (academe implied, with quiet snootiness, that he was a little too obvious a novelist - vigorous, colourful, committed, a force of literary nature, and all that, but not one yielding the ambiguities whose elucidation was the function of scholarly needs). Indeed, all I had read of him was Germinal, and that some years previously. But the crammer's principal, a figure from early Evelyn Waugh, didn't want to become mired in the matter of my qualifications, let alone scruples. He looked up from my tentative letter of application and extended his hand. "Good to have a Zola expert on board."

Rereading makes you both the student and the tutor again: the old self is queasily reminded of the younger self through underlinings, ticks, squiggles, arrow signs and emphatic marginalia including that staple annotation of the first-time reader, "irony". My copy of Thérèse Raquin was an old Livre de Poche edition with a lime-green cover; the page edges had originally been stained lime green to match, but were now long faded to brown. My memory of the book had faded as much: I remembered a murder (though of whom and why?), a scene in the Paris morgue (though this might have been a contamination from a later BBC adaptation of the book), and a general sense of physical and moral dankness - the leprous walls and leprous souls of lower-depths Paris. I had also been keen on the book because it was complete in itself, and thus a good introduction to Zola's ways and procedures before taking on the forbidding 20-volume Rougon-Macquart cycle, which I assumed I would fearlessly knock off in later life. (Don't ask.)
Those 37-year-old marginalia provoked the usual mixed feelings. On the one hand, you fear to discover that your younger self was an idiot; on the other, you need to believe that all your subsequent years as a reader and then writer have made your literary responses sharper and deeper. In terms of actual understanding of the plot, characters, key scenes and lines, I pretty much got Thérèse Raquin back in 1969, though this was doubtless helped by Zola's directness as a writer: he is explicatory rather than allusive, a teller rather than a shower. Subsequent experience brought mainly two things: a greater grasp of the psychological theories that drive the book, and a greater scepticism about - or a more nuanced response to - his picture of life.

Advertisement
This doesn't mean, however, that rereadings are less enthusiastic than first readings. The best combine this deeper technical and worldly knowledge with a recapturing of that first, primitive joy of being bound up in and swept along by an unfamiliar story. Thérèse Raquin is only Zola's second novel, and has faults; but its force of impact, its narrative muscle and its psychological clarity make it still, nearly 150 years on, one of the most shocking books in the canon: the brutal and relentless account of a pair of murdering lovers who become haunted by their victim, and who, in killing the obstacle to their desire for one another, also succeed in killing that very desire. The novel features betrayal, murder, suicide, cat-killing, the psychological torture of a paralysed and speechless woman, wife-beating, prostitution, a provoked abortion and a double suicide: yes, of course it should have been set for A level.
Such a summary may make the novel sound a moral tale. It is the very opposite. Zola sets himself up as a scientific examiner of the human condition and of this particular psychological case: "I have simply done on two living bodies the kind of analysis that surgeons do on dead bodies." He aims to strip away the normal (false, literary) manner of describing people to get at the truth of "the human mechanism". Though Thérèse and Laurent suffer as a consequence of murdering Thérèse's feeble, ailing husband Camille, they do so not in the way a traditional, moralising novelist might wish them to. "What I have been obliged to call their remorse," Zola wrote, "consists of no more than a simple organic disorder." The couple's guilt is entirely "physical" (ie nervous - hallucinations, hauntings, exhaustion) and not in any way "mental" (ie moral): so Laurent, placed into the same situation again, would do - admits he would do - exactly the same thing and murder Camille all over again.

The novel was naturally accused of immorality, but Zola denied that the absence of obvious moral apparatus was corrupting: "The process of honest examination purifies everything, just as fire does." He says: here is life, take it or leave it, like it or lump it. He is a less subtle novelist than Flaubert, but the Flaubertian dictum "ne pas conclure" also fits Zola: life makes its conclusions, and the novelist's task is to represent those conclusions, rather than supply his own, or lead the reader to a pot of moral honey.
Advertisement
In this, the young Zola was under the profound influence of the "philosopher of naturalism", Hippolyte Taine. To the second edition of Thérèse Raquin, Zola added as epigraph Taine's dictum: "Vice and virtue are just as much products as are vitriol and sugar." Products, that is, of environment, inheritance, history and the momentum of the age. The human problem was one not of God and morality, but of psychological mechanics, which could be studied and solved just as a problem in physical mechanics could.
So Thérèse Raquin is less a "drama with characters" than a scientific study of the collision between conflicting temperaments. Laurent, a rough and conscienceless peasant, represents "blood"; Thérèse, the illegitimate product of a French army officer and a "native woman of great beauty", represents "nerves". What happens when blood meets nerves for the joint enterprise of murder? Nerves incites blood, blood acts, and then - perhaps to the non-theorist's surprise - nerves infects blood with its own nervosity. Thus Laurent succumbs just as Thérèse does to physical guilt, against which all his peasant brutality and blood is powerless.
The rereader is more aware than his earlier self of the presence of psychological theory, at times to a degree that tests credulity. For instance, when Laurent first comes to Paris, he wants to be a painter, but lacking any real talent he abandons his brushes for office life. After the murder, and his marriage to Thérèse, he rents a studio again. But since blood (solid, unimaginative) has now been infected by nerves (feminine, sensitive), all of a sudden Laurent, to everyone's surprise, develops both a genuine artistic nature and real skill - his work is made to sound rather like that of Zola's friend Cézanne. There is an unfortunate downside to this talent-leap: all Laurent's portraits end up resembling the dead Camille, who has thus devised an extra way to torment his murderer. If one might just about buy this pictorial haunting, the theory behind the transformation of Laurent's talent is absurd - not to mention a very bad moral example to art students.
But alongside such moments of crudity, the rereader also picks up much that was missed first time round. A true novel is designed on both the macro and the micro level; and while the overarching structure may be immediately apparent, it often takes a second turn to pick up linguistic patterning: here, the repetition of such key words as brute, brutal, bête, sauvage, nerfs, nerveux, ignoble. I also overlooked, first time round, the absolute pervasiveness in the story of money. Zola's understanding of the cash nexus as a motivating and compromising force in human behaviour was probably unmatched by any other writer. The novel is saturated with money-dealing, from old Mme Raquin disposing Lear-like of her savings, to those Seine watermen who hunt doggedly for Camille's body "because of the reward". Early on, you are made to realise that Laurent and Thérèse lie quite outside any tradition of doomed late-Romantic lovers, but are something altogether harsher and more modern, by the way Laurent decides to make Thérèse his mistress. He does so because he desires her, because she is convenient, because few will suspect him of being the lover of his friend's wife, but mainly because it will save him money. Hitherto, he has relied on unsatisfactory prostitutes; from now on, he calculates, he will get his sex for nothing.
Six years after the novel appeared, Zola turned Thérèse Raquin into a play. Late 19th-century novelists dreamed of stage success rather as their modern counterparts await the call from Hollywood, imagining that fame, glamour and riches will ensue. Zola wanted all that, but more: he planned to kick life into the theatre's moribund procedures, bring realism and truth into an art form long mired in convention and falsity. His play opened at the Théâtre de la Renaissance on July 11 1873, and duly closed after nine performances. When Flaubert had his Le Candidat booed off stage the following year, he instituted a series of Dinners for Hissed Authors: Zola was an obvious guest of honour, along with Daudet, Edmond de Goncourt and Turgenev. It was a kind of salon des réfusés - with the difference that some of these would-be playwrights were correctly refused, being novelists who either misunderstood the theatre or imagined it could be easily conquered.

The exceptions were Turgenev (whose A Month in the Country has established itself firmly in the repertoire) and, to a lesser extent, Zola. Though Thérèse Raquin was not revived for a decade after its initial flop, it has continued to be played at regular intervals. And in spite of being "only" an adaptation of a novel, it was recognised, not just in France but across Europe, as a key early strike for stage naturalism: a precursor to Strindberg (who openly acknowledged it), Ibsen (who declined to, dismissing Zola as a gutter-wallower) and DH Lawrence. Michael Meyer, the distinguished biographer and translator of Ibsen and Strindberg, wrote that "Thérèse Raquin is often named by theatrical historians as the first proletarian stage tragedy".
Those who (like me until a couple of weeks ago) knew only the novel will be surprised by the play that now enters the National Theatre's repertoire. While rereading my old Livre de Poche edition, I made a list of potential handicaps to staging, and likely advantages. The handicaps were many: the psychological theory, the novelist's habit of telling not showing, the absence of dialogue, the difficulty of showing sex and murder on stage, the crucial leitmotif of the unhealing scar on Laurent's neck where the struggling Camille bit him, the problem of showing the states of mind of a mute woman and, finally, the important role of François the sadly defenestrated cat. The evident advantages, apart from the compelling central situation, were few - an underlying three-act structure (with each leading to a climax - murder, marriage, suicide), and the novel's constant stressing of how Thérèse and Laurent are acting out roles: Thérèse as dutiful wife then inconsolable widow; Laurent as loyal friend then guilty failed-rescuer; both as reluctant suitors then model spouses. As the cinema loves movies about making movies, so the theatre loves plays where the audience can see actors doub
ly acting.
Zola, as if deliberately marking the difference between genres, takes his three-act novel and turns it into a four-act play. The essential action and the central characters are retained, but he is clear-sighted to the point of ruthlessness - a rare quality in writers adapting their own stuff - about what won't work in the theatre. Out go theory, the scar, the cat - and money, too. In come a different starting point (Thérèse and Laurent are already lovers), reported action, social satire, a heavily contrasting girlish love story about a "blue prince", a long bridal toilette scene and, perhaps most surprisingly, a lightening humour. There are certain thumping dramatic ironies in the novel but not, I think, anything close to a joke. In Nicholas Wright's supple translation, and under Marianne Elliott's luminous direction (her previous piece for the National was Ibsen's Pillars of the Community, so this is a natural follow-up, or track-back), Thérèse Raquin is shown at its most convincing.
There are still, however, some underlying and probably insoluble problems to the play. The theatre, simply by having real people (even if actors) in front of us, induces in the audience a desire to sympathise (and in the actor a complicit desire to be liked). Yet the two main characters in Thérèse Raquin are manifest hypocrites and liars from the first line of the play - as well as being murderers, psychological torturers and cat-killers. The play keeps tending towards that thing the novel sternly refuses to be: a drama with characters. But given the origins of Thérèse and Laurent in psychological theory, the theatre-goer unacquainted with the book might find it hard to guess where exactly they are coming from.
 
"The first proletarian stage tragedy"? You would have to query "proletarian". In dramatising his novel, Zola took it slightly up a peg in class terms: if the novel is proletarian/small shopkeeper, the play is lower-middle class (and having Judy Parfitt as Mme Raquin takes it higher yet). You would also query "tragedy": though it is certainly headlong, precipitous and downhill all the way, the mode is more that of psycho-melodrama. But one of the features of Thérèse Raquin is the way it has endured, and still invites reinterpretation: Marcel Carné's 1953 film, starring Simone Signoret, relocated it to Lyon, while Harry Connick Jr's perhaps unexpected 2001 musical took it to 1940s New Orleans.
This is Wright's second version (his first being in 1990) and he has cleverly reintroduced details from the novel that Zola had cut (such as the scar on Laurent's neck). Maybe he will go even further one day with a third version, more disrespectful to the play, more faithful to the novel. Peter Brook reinvigorated Carmen by going back beyond Bizet's librettists to the original Merimée story. Perhaps, somewhere between Zola's novel and Zola's play, lies some perfect, ultimate Thérèse.

· Thérèse Raquin is at the National Theatre, London SE1, until February 21. Box office: 020-7452 3000.
http://www.theguardian.com/stage/2006/nov/25/theatre.stage
---------------------------------------------------------------------------------------

Gespeend van vrije wil

Begin oktober wordt de Nobelprijs voor literatuur uitgereikt.
Welke grote schrijvers visten in het verleden achter het net? Als eerste in een serie: Emile Zola die de prijs in 1901 misliep. Margot Dijkgraaf,
In de jaren zestig van de negentiende eeuw drijft Madame Raquin in Parijs een fourniturenwinkeltje. In de smalle passage, vlakbij de Pont-Neuf, waar vaak paartjes staan te vrijen, stinkt het en de glazen overkapping is zwart van het vuil. Uit de winkeltjes – oude boeken, valse juwelen – stijgt een kille kelderlucht op. 's Avonds, bij een povere verlichting, lijkt de passage wel een moordhol en voorbijgangers voelen zich er niet op hun gemak. Madame Raquin wordt in haar winkeltje geholpen door haar nichtje Thérèse, die ze heeft gekoppeld aan haar ziekelijke zoon Camille. Het hartstochtelijke meisje begint een verhouding met de knappe amateurschilder Laurent. De echtgenoot staat de geliefden in de weg en wordt, tijdens een boottochtje, verdronken, maar de moordenaars blijken buiten het sluipende schuldgevoel te hebben gerekend en plegen, waanzinnig geworden, zelfmoord.
Dit soort verhalen moet Alfred Nobel weinig stichtelijk hebben gevonden. Hij noemde het werk van Emile Zola (1840-1902) ooit `smoezelig' en hoewel de jury de `gigantische werkkracht' van Emile Zola erkende, evenals zijn `aanzienlijke vermogen de werkelijkheid te beschrijven', besloot zij dat `zijn vaak grove cynisme en het gebrek aan geestelijk leven van zijn naturalisme' hem voor de prijs diskwalificeerden. Aangezien de eerste Nobelprijs voor literatuur naar een Fransman moest gaan, werd daarop de Parnassiaanse dichter Sully-Prudhomme uitverkoren – die naam doet tegenwoordig weinig bellen meer rinkelen.
Om dat naturalisme van Zola ging het hem natuurlijk. Al meteen na het verschijnen van Thérèse Raquin, Zola's vierde roman, uit 1867, beschuldigen enkele critici hem ervan `een stelletje pestdragers' te hebben opgevoerd en zich `door de cholera te laten inspireren'. Daarop schrijft Zola, voor de tweede druk, een voorwoord waarin hij uitlegt wat hem voor ogen staat: een `experimentele roman' binnen een wetenschappelijke doctrine. Hij wil `temperamenten, geen karakters bestuderen': ,,Ik heb personages gekozen die in hoge mate beheerst worden door de drang van hun bloed en hun zenuwgestel, die gespeend zijn van vrije wil, die bij iedere daad in hun leven worden meegesleept door hun onontkoombare driften. Thérèse en Laurent zijn niets anders dan dieren in mensengedaante.' In dezelfde tijd moet Zola kennis hebben genomen van La médecine expérimentale van de arts Claude Bernard en van de Traité de l'hérédité naturelle, een werk over erfelijkheidsleer van docteur Lucas. In de geest van die werken beschouwde Zola de schrijver als observator en experimentator: hij koos een onderwerp (alcoholisme), formuleerde een hypothese (alcoholisme is erfelijk), plaatste zijn personages in de omstandigheden die daarbij pasten en liet het verhaal zijn hypothese bevestigen. Volgens Zola was de mens met huid en haar uitgeleverd aan de erfelijkheidswetten, waardoor het individu zelf niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor zijn morele verval. Hij wijdde zich dan ook aan het uit en te na beschrijven van menselijke instincten, vooral uit de lagere klassen van de bevolking.
Zelf was Zola daar niet uit afkomstig. Zijn Italiaanse vader was ingenieur. Bij zijn vroege dood liet hij vrouw en zoon berooid achter. Dankzij een beurs kon Zola het lyceum in Parijs doorlopen, maar daarna sloeg de armoede toe. In een studie over zijn leermeester schreef Maupassant later dat Zola in die tijd vanuit zijn raam mussen ving, ze op een gordijnrail prikte en tussen twee strijkijzers roosterde. Al snel kiest Zola voor een journalistieke carrière en schrijft over politiek, kunst en literatuur in verschillende kranten en tijdschriften. Hij breekt een lans voor de jonge, impressionistische generatie, aangevoerd door Edouard Manet, en wordt binnen een paar jaar een gevreesd kunstcriticus.
Volle buik
Toch waren zijn politiek journalisme en zijn kunstkritiek niet meer dan broodschrijverij. Het ware vuur legde hij aan de dag in zijn artikelen en polemieken over literatuur en het naturalisme, waarvan hij de onbetwiste grondlegger is. In die zin was de rel rond Thérèse Raquin nog maar het begin. In de winter van 1868-'69 dacht Zola het ambitieuze plan voor de Rougon-Macquart cyclus uit: twintig boeken die de biologische en sociale geschiedenis uit één familie moest omvatten. De in
drukwekkende genealogie, die meerdere pagina's besloeg, had hij al ontworpen. Zola wilde het hele Second Empire schilderen – maar dan als analyserend romancier, met een wetenschappelijke, onderzoekende invalshoek. Hij maakte het waar: in 1871 verscheen La fortune des Rougon, het eerste deel van de cyclus, en in 1893 Le docteur Pascal, het laatste. Voor het grootste deel zijn die romans ook nu nog zeer leesbaar.
In iedere nieuwe roman nam Zola weer een volgend heet hangijzer uit zijn tijdsgewricht bij de kop. In Le ventre (1873) is dat de buik: de lege van Zola's hoofdpersoon, een ontsnapte banneling, en de volle van de bevoorrechte bourgeoisie. In Au bonheur des dames (1883), nog steeds overal in Frankrijk een geliefde naam voor op de gevel, illustreert Zola de opkomst van het grootwinkelbedrijf, wat ten koste gaat van familienerinkjes. Maar het is ook een romantische liefdesgeschiedenis in de tijd van opkomend grootkapitaal – eentje die bij de kritiek in de smaak viel.
Dat was een paar jaar daarvoor wel anders geweest, toen L'Assommoir (1877), een roman over de ondergang van een arbeidersgezin, een flink schandaal veroorzaakte. Alcohol, (kinder-) prostitutie, huiselijk geweld en `ménage à trois' – een heel arsenaal aan `obscene vuiligheid' liet Zola de revue passeren. Zelfs Hugo vond het boek `abject' en sneerde dat Zola blijkbaar niet tevreden was voordat hij in detail `een volle po' had beschreven. Zola zocht de luwte in het gezelschap van andere `auteurs sifflés' en noodde Flaubert, de gebroeders Goncourt, Daudet en Toergenjev op een maandelijks diner. Het schandaal legde Zola geen windeieren: binnen een jaar werden er 40.000 exemplaren van het boek verkocht en als toneelstuk werd het bijna duizend keer opgevoerd. Bij zijn
dood, in 1902, waren er 1,7 miljoen exemplaren van zijn boeken over de toonbank gegaan. In 2000 waren dat er 21,7 miljoen.
Toch dankt Zola zijn internationale roem, wreed genoeg, niet zozeer aan zijn literaire oeuvre als wel aan een anderhalve krantenpagina beslaand, vlammend politiek pamflet, J'accuse, dat op 13 januari 1898 verscheen in de krant L'Aurore. In de bekende open brief aan de president van de Republiek, nam Zola stelling tegen de verbanning van de joodse kapitein Alfred Dreyfus, die was veroordeeld wegens spionage – ten onrechte, naar later bleek. Zola werd veroordeeld en vluchtte naar Engeland, waar hij een jaar verbleef.
Drie jaar later stierf Zola aan een koolmonoxidevergiftiging – tot op de dag van vandaag is onduidelijk of er sprake is van moord (een fundamentalistische anti-dreyfusard?) of van een ongeluk (een verstopte schoorsteenpijp?). Zeker is dat hij in 1901 door de jury van de Nobelprijs werd gepasseerd. Het moet een bittere pil zijn geweest. Dankzij zijn vrienden Daudet, Flaubert en Maupassant was hij eerder wel benoemd tot officier van het Légion d'Honneur, maar het prestigieuze gezelschap der onsterfelijken hield de deuren van de Académie Française tot negentien maal toe voor hem gesloten. Dat zijn as in 1908, `om het hem aangedane onrecht ten tijde van de affaire-Dreyfus te herstellen', alsnog werd bijgezet in het Panthéon, is niet meer dan een schrale troost.
http://vorige.nrc.nl/dossiers/nobelprijs_literatuur/nt_geen_nobelprijs/article1566959.ece
-------------------------------------------------------- 

#DvdW: J’accuse en dirty realism, de furore van Émile Zola, Pieter Steinz,

Dagelijks kijkt journalist en schrijver Pieter Steinz wat er actueel is in boekenland. 175 jaar geleden werd in Parijs een schrijver geboren die furore zou maken met het toepassen van de erfelijkheidsleer op de literatuur. En passant zette hij zich ook in voor de ten onrechte wegens hoogverraad veroordeelde kapitein Dreyfus.
Meer dan dertig boeken schreef Émile Zola; eeuwige roem ontleende hij vooral aan J’accuse (1898), een pamflet van anderhalve krantenpagina waarin hij het opnam voor de onteerde joodse legerkapitein Dreyfus. Zijn ‘brief aan de president’ leverde hem een veroordeling op – het zoveelste schandaal in een carrière die in 1867 goed op gang was gekomen met Thérèse Raquin. In deze pessimistische roman, over twee overspelige geliefden die tijdens een boottochtje de echtgenoot van de vrouw vermoorden, paste Zola voor het eerst de wetten van erfelijkheid toe op de realistische literatuur.
De invloed van dit ‘naturalisme
’ (dat de mens als speelbal van zijn milieu en erfelijke aanleg beschreef) was enorm, in binnen- en buitenland, temeer daar Zola in de volgende decennia zo veel goede romans zou schrijven. Net als Balzac bracht hij de meeste onder in een grote cyclus, Les Rougon-Maquart (1871-1893, twintig delen), waarin alle rangen en standen en sociale problemen van zijn tijd aan de hand van twee families werden behandeld.
Ten minste vier van deze romans hebben de tijd glansrijk doorstaan: Le Ventre de Paris (1873), over honger en overvloed tegen de achtergrond van de Parijse markthallen; L’Assommoir (1877), waarin een arbeidersgezin aan alcohol kapotgaat; Nana (1880), over een femme fatale uit de lagere klasse; en Germinal (1885), met de protofilmische beschrijvingen van een staking onder Noord-Franse mijnwerkers. Zola’s voorliefde voor dirty realism, of zoals Alfred Nobel het ooit uitdrukte: ‘smoezeligheid’, kostte hem de eerste Nobelprijs, die in 1901 naar een Fransman moest gaan en bij de mineure dichter Sully Prudhomme terechtkwam. Een jaar later overleed Zola.
https://www.nrc.nl/nieuws/2015/04/02/dvdw-jaccuse-en-dirty-realism-de-furore-van-emile-zola-a1466877
Voor meer afleveringen van de Dagkalender van de Wereldliteratuur, zie Pieter Steinz’ The Global Reader.
 ---------------------------- 

Impressionism, Fashion, and Modernity


The internationally acclaimed exhibition arrives in Chicago, the last stop on its world tour.
Wednesday, June 26, 2013–Sunday, September 29, 2013
Regenstein Hall
Member Previews: June 23–25, 10:30–5:00
Were the Impressionists fashionistas? And what role did fashion play in their goal to paint modern life with a “modern” style? This is the subject of the internationally acclaimed exhibition Impressionism, Fashion, and Modernity, the first to uncover the fascinating relationship between art and fashion from the mid-1860s through the mid-1880s as Paris became the style capital of the world. Featuring 75 major figure paintings by Caillebotte, Degas, Manet, Monet, Renoir, and Seurat, including many never before seen in North America, this stylish show presents a new perspective on the Impressionists—revealing how these early avant-garde artists embraced fashion trends as they sought to capture modern life on canvas.
In the second half of the 19th century, the modern fashion industry was born: designers like Charles Frederick Worth were transforming how clothing was made and marketed, department stores were on the rise, and fashion magazines were beginning to proliferate. Visual artists and writers alike were intrigued by this new industry; its dynamic, ephemeral, and constantly innovative qualities embodied the very essence of modernity that they sought to express in their work and offered a means of discovering new visual and verbal expressions.
This groundbreaking exhibition explores the vital relationship between fashion and art during these pivotal years not only through the masterworks by Impressionists but also with paintings by fashion portraitists Jean Béraud, Carolus-Duran, Alfred Stevens, and James Tissot. Period costumes such as men’s suits, robes de promenade, day dresses, and ball gowns, along with fashion plates, photographs, and popular prints offer a firsthand look at the apparel these artists used to convey their modernity as well as that of their subjects. Further enriching the display are fabrics and accessories—lace, silks, velvets, and satins found in hats, parasols, gloves, and shoes—recreating the sensory experience that made fashion an industry favorite and a serious subject among painters, writers, poets, and the popular press.
Truly bringing the exhibition to life are the vivid connections between the most up-to-the-minute fashions and the painted transformations of the same styles. Pairing life-size figure paintings by Monet, Renoir, or Tissot with the contemporary outfits that inspired them, the show invites inquiry into the difference between portrait and genre painting, between Tissot’s painted fashion plates and Manet’s images of life experienced, demonstrating for the first time the means by which the Impressionists “fashioned” their models—and paintings—for larger artistic goals.
 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------