Pagina's

Malika Mokeddem

 

 

Algerije als land van herkomst
Schrijvers in de verdrukking

Als we binnen de literatuur op zoek gaan naar het thema ‘het land van herkomst’ moeten we het vooral zoeken binnen de allochtonenliteratuur; immigranten die in het land waar ze zich nieuw gevestigd hebben gaan schrijven over hun geboorteland. Binnen de Franse literatuur komen we in dit kader de Maghrebliteratuur tegen. Het gaat hier om Franstalige boeken geschreven door auteurs afkomstig uit één van de drie Noord-Afrikaanse landen: Marokko, Algerije en Tunesië, die zich veelal in Frankrijk gevestigd hebben. Het hoofdthema in deze werken is ‘het land van herkomst’. Na een kort overzicht van de Maghrebliteratuur zal ik me richten op Algerije als land van herkomst en deze thematiek bespreken aan de hand van de zeer actuele roman Des rêves et des assassins (Dromen en moordenaars) van de Algerijnse schrijfster Malika Mokeddem.
Yvonne Mekaoui

De Maghreb, geschiedenis en literatuur

Tunesië en Marokko stonden respectievelijk sinds 1881 en 1912 onder Frans protectoraat en verkregen beiden hun onafhankelijkheid in 1956. Algerije was gedurende 124 jaar een Franse kolonie en werd na een bloedige oorlog die acht jaar duurde in 1962 onafhankelijk. Deze landen hebben naast een Arabischtalige literatuur, ten gevolge van de Franse overheersing een Franstalige literatuur ontwikkeld. Naast de pied-noir literatuur (kolonisten en hun kinderen, die na de onafhankelijkheid terug moesten naar Frankrijk) en de joodse literatuur (vooral in Tunesië) bestaat de grootste groep uit de authentieke Maghreb schrijvers: dit zijn de autochtone auteurs met een Maghrebijnse identiteit.

Algerije

Elk van de drie Maghreblanden heeft, ondanks de vele onderlinge overeenkomsten, zeker ook een geheel eigen karakter en een eigen historische en culturele achtergrond. Gezien de specifieke omstandigheden van Algerije heeft dit land verreweg de meeste auteurs voortgebracht en speelt het als ‘het land van herkomst’ een aparte en voor dit themanummer interessante rol. Daarom heb ik gekozen me te concentreren op de Algerijnse literatuur.
De geheel verschillende loop van de geschiedenis in dit land is bepalend voor de thematiek van het door Algerijnse auteurs voortgebrachte werk. Algerije is het langst en het diepst gebukt gegaan onder de Franse overheersing. Terwijl Marokko en Tunesië hun cultureel erfgoed en hun persoonlijkheid mochten behouden, en zonder strijd onafhankelijk werden verklaard, hadden de Algerijnen te lijden onder een door de kolonisten opgelegde politiek van complete assimilatie en zogenaamde ‘verfransing’ met als doel de nationale identiteit uit te wissen en er de Franse ervoor in de plaats te zetten. De lange en wrede onafhankelijkheidsoorlog liet diepe littekens achter. Vervolgens krijgen we naar aanleiding van de militaire staatsgreep in 1965 te maken met een grote emigratiegolf met name van schrijvers, kunstenaars en intellectuelen. Deze vlucht uit het geboorteland duurt nog steeds voort doordat schrijvers niet meer mogen ‘spreken’ en bedreigd worden met aanslagen en terreur door het fundamentalistische FIS (Front Islamique du Salut). De meeste schrijvers vestigen zich, hoe tegenstrijdig ook, in Frankrijk: het land van ontvangst - het land van de voormalige vijand en onderdrukker- wordt nog altijd gezien als het land vol vrijheid en nieuwe mogelijkheden.

Schrijvers in de verdrukking

De Algerijnse schrijvers zijn gaan schrijven vanuit de positie van ver-
[p. 12]
drukten: eerst werden ze als gekoloniseerde Algerijnen onderdrukt door het machtige Frankrijk, en vervolgens, na de onafhankelijkheid, werden ze onderdrukt door de nietsontziende censuur van hun eigen volk; ze zijn verdrukt op twee niveaus. Hier kies ik expliciet voor de term ‘verdrukte’ en niet voor ‘onderdrukte’ omdat de schrijvers uiteindelijk niet monddood zijn gemaakt, integendeel; hun schrijven en leven werden erg bemoeilijkt maar dat inspireerde hen juist te schrijven. Ze lieten zich niet passief en geheel onderdrukken, ze zijn er niet ‘onder gedrukt’, slechts verdrukt, hetgeen onomkoombaar was, ze bleven trots overeind staan en veroverden hoe dan ook een recht op bestaan en een recht zich te uiten, ook al gebeurt dit vanuit een ander dan hun geboorteland. Kenmerkend in de eerste plaats is dat de Algerijnse schrijver zich in het bijzonder op een kruising bevindt van niet alleen twee culturen, maar nauw daarmee samenhangend ook die van twee talen; hetgeen symbool staat voor de thematiek rond de vervreemding, het verlies van identiteit en tegelijkertijd die van interculturaliteit.
Gedurende de lange periode van Franse overheersing, waarin het Frans de officiële taal was, is er vrijwel alleen sprake geweest van een Franstalige literatuur. Er werd Frans onderwezen aan de ‘inboorlingen’ die gedwongen werden zich helemaal aan te passen aan de Franse cultuur.
De taal van de ander, ‘l'Autre’ werd dus gebruikt om te schrijven over het (eigen) land van herkomst. Dit gebruik van de taal van de veroveraar, de vijand, en de onderdrukker bracht gevoelens van schuld en frustratie met zich mee en veel schrijvers worstelden daar aanvankelijk mee. Pas rond 1950 werden zij zich bewust van de voordelen die de Franse taal hen kon bieden: ze konden hun boeken in Frankrijk publiceren en zo hun lezerspubliek aanzienlijk vergroten. Maar minstens zo belangrijk is dat de Algerijnse auteurs op hun beurt de Fransen hebben overwonnen door de taal van de overheersers te veroveren, te leren beheersen, en uiteindelijk te beteugelen en naar hun eigen hand te zetten. De echte revolutie voor een schrijver is dan ook die van de taal. Het gaat om het vernieuwen en de kwaliteit van hun taalgebruik. Hiervoor dient men buiten het strenge en benauwende nationale kader te gaan. Het gebruik van de Franse taal leende zich hier uitstekend voor. Door in het Frans te schrijven konden de auteurs zich bevrijden van hun eigen cultuur en alle daarbij behorende taboes: ze konden zich vrij uiten en zeggen wat ze in hun moedertaal nooit hadden gekund. Zo hoefden ze hun eigen ouders en hun herkomst niet te verloochenen. Bovendien was de vreemde taal ‘verleidelijk en voluptueus als de Europese vrouw’ (Khatibi). Uiteindelijk werd gesteld dat de Franse taal het enige positieve was dat de kolonisatie had opgeleverd. Zo is de ‘verfransing’ van Algerije niet alleen maar passief ondergaan. Zij bleek uiteindelijk als bron van inspiratie ervaren te worden.
Op de tweede plaats wordt de Algerijnse (ook de gehele Maghreb) literatuur gekenmerkt door zowel haar thematiek als haar schrijfstijl. De meest voorkomende thema's in de vaak autobiografische romans over kinder- en jeugdjaren in het geboorteland zijn de onafhankelijkheidsoorlog, revolutie, dekolonisatie, biculturaliteit als gevolg van de Franse overheersing, emigratie naar een sterk geïdealiseerd Frankrijk, verlies van de ‘wortels’ en van ‘moeder-aarde’ en de identiteitscrisis als gevolg van dit alles. ‘Wie ben ik? Wie zijn wij geworden?’ Uit de specifieke Maghrebijnse schrijfstijl spreekt vooral de nostalgie en de melancholie die men voor het geboorteland voelt. De teksten staan vol met uitdrukkingen, beeldspraken, metaforen, symboliek en zinspelingen uit het Arabisch en het Berbers. De stemmen van moeders en voorouders klinken als muziek in je oren. Ook beschikken de schrijvers over een gevoel voor oprechte en vaak scherpe humor. Vanuit Frankrijk houden ze zich vooral bezig met de actualiteiten in hun geboorteland; hun teksten zijn veelal kritisch van aard en politiek geëngageerd. De dynamiek waarmee zij schrijven uit zich echter niet alleen in politieke of sociale doelen maar zoals eerder genoemd ook in hun creativiteit en inventiviteit.
Het zwaartepunt van hun werk is Algerije zelf en de Algerijnse (Maghrebijnse) cultuur: vanuit hun nieuwe vaderland wordt geschreven over het land van herkomst, het land waar ondanks alles hun hart naar uitgaat.

Vrouwenliteratuur, nogmaals vanuit de verdrukking

Er zijn slechts weinig vrouwelijke auteurs die in het Arabisch schrijven; de meeste bedienen zich van het Frans. Doordat er sinds de onafhankelijkheid steeds meer meisjes naar school gingen, kwam er een hele generatie vrouwen die konden schrijven. In de hoofdzakelijk door mannen beheerste maatschappij wilden zij zich, als onderdrukten op hun beurt door de al eerder genoemde - zelf ook onderdrukte- Algerijnen, een respectabele plaats verwerven. Ze klommen in de pen om voor zichzelf en alle vrouwen uit hun cultuur op te komen. De Algerijnse Marie-Louise (Taos) Amrouche was de eerste vrouw die een boek publiceerde, dat was in 1947. In Tunesië en Marokko werden vanaf respectievelijk 1975 en 1982 romans van vrouwen gepubliceerd. Vrouwen hadden voorheen niet het
[p. 13]
recht om ‘ik’ te zeggen, om over zichzelf te praten of voor zichzelf op te komen. Het nemen van het woord, het hebben over jezelf is dus een ware revolutie te noemen. Ze schrijven in hun veelal autobiografische romans over sociale conflicten, relatieproblemen en hun intiemste aangelegenheden. Ook hier speelt de confrontatie met twee culturen, het biculturalisme en de identiteitscrisis een grote rol. Veel werken zijn gewijd aan zelfanalyse en zijn introvert (Nina Bouraoui: La voyeuse interdite). Door middel van schrijven willen de vrouwen zich bevrijden, emanciperen en zichzelf vinden. Ze beschrijven hun innerlijke pijn en hun lijden. Vrouwen eisen hun bestaansrecht op, ook in de literaire wereld.

Malika Mokeddem

Malika Mokeddem is een Algerijnse schrijfster, geboren in 1949 en grootgebracht in een bedoeïenenfamilie in de woestijn. Ze werd opgevoed door de verhalen die haar grootmoeder, een dichteres in de mondelinge traditie, haar vertelde. Deze grootmoeder was het die de opvoeding van haar kleindochter op zich nam en haar scholing stimuleerde in een tijd dat meisjes nauwelijks naar school gingen: Malika Mokeddem was het enige meisje van de klas. Ze groeide op binnen een tolerante stroming van de Islam, desalniettemin ging ze gebukt onder het gewicht van normen, waarden en tradities. Als jong meisje werd ze al rebels en droomde van vrijheid. Ze ging als enig meisje dat de school afmaakte in 1962 in Oran studeren, waar het fundamentalisme gelijktijdig met de onafhankelijkheid opkwam, en waar ze opnieuw geconfronteerd werd met het conservatieve mannenbestaan in een omgeving waar ze dat niet verwachtte. Mokeddem, neurologe, leeft sinds haar vertrek uit Algerije in 1977 in ballingsschap in Montpellier waar ze haar eigen huisartsenpraktijk heeft. Een Algerijnse vrouw die modern en Frans is geworden, maar tegelijkertijd nauw verbonden en trouw is aan haar land van herkomst. Mokeddem is een fascinerend voorbeeld van de Algerijnse literatuur in ballingschap; ze is het in Algerije heersende religieus fanatisme ontgroeid, maar tegelijkertijd verknocht aan haar geboorteland. Zo houdt ze bijvoorbeeld alle berichten uit de media betreffende Algerije nauwkeurig bij. Typerend is dat ze in het Arabisch en in het Frans droomt, zich dan weer Frans en dan weer Algerijns voelt: ‘Je suis une mélange.’ Het leven in haar nieuwe vaderland bevalt haar goed, maar haar wortels liggen overzee.
Schrijven is voor haar een must: ‘Frankrijk moet weten hoe het verder is gegaan met Algerije.’ Ook schrijft ze uit solidariteit met haar landgenoten, zoals de veelbelovende Tahar Djaout die in 1993 werd vermoord omdat hij schreef. Werken die op haar naam staan zijn Les hommes qui marchent uit 1990, Le Siècle des sauterelles uit 1992, l'Interdite uit 1993 en La nuit de la lézarde, uitgekomen in 1995.
Haar vierde, aangrijpende, zeer gedurfde en grotendeels autobiografische roman Des rêves et des assassins uit 1995 gaat over Algerije en is een schreeuw om vrijheid. Op heldere en krachtige wijze wordt het verhaal van Kenza verteld. Deze jonge wilskrachtige studente levert een zwaar gevecht om te overleven in een land waar na de onafhankelijkheid de verhoudingen tussen mannen en vrouwen onveranderd zijn gebleven, waar intelligentie een misdaad is en waar intellectuelen en buitenlanders worden vermoord. Ze beschrijft op indringende wijze hoe het regime zelfs binnen gezinnen achterdocht zaait, en hoe groot de vrouwenhaat is die overal woedt; zelfs de kleine jongens krijgen het met de paplepel ingegeven, door hun (angstige) moeder notabene, en maken haar op straat uit voor hoer.
Kenza is een banneling, eerst in haar eigen land, en later in Frankrijk.
Geboren in Montpellier gedurende een verblijf van haar ouders tijdens het jaar van de onafhankelijkheid keert ze met haar moeder terug naar Oran en worden ze geconfronteerd met de nieuwe vrouw van haar vader. Haar moeder vertrekt alleen, het is onmogelijk haar dochter mee te krijgen, en Kenza ziet haar, ondanks verwoedde pogingen van haar moeder haar terug te krijgen, nooit meer terug. Ze groeit liefdeloos en vol angst op in het grote gezin van haar luidruchtige en terroriserende vader. Haar enige momenten van geluk zijn de zomers die ze in de woestijn doorbrengt bij haar vriendje Alilou. Als de dreiging van het oprukkende fundamentalisme te groot wordt en ze letterlijk in doodsangst verkeert, vertrekt ze naar Montpellier om op zoek te gaan naar de sporen die haar moeder daar heeft achtergelaten. De zoektocht naar haar moeder in haar studententijd staat voor het op zoek gaan naar zichzelf en naar haar eigen identiteit. Als banneling in Frankrijk richt Kenza haar hoop op de vermenging van culturen, waar het karakter van haar nieuwe vriend Slim voor staat: hij is gelukkig met zijn dubbele afkomst. Vanuit Frankrijk zet Kenza haar strijd voor vrijheid in haar geboorteland voort.
Des rêves et des assassins is, zoals de titel het al aangeeft, een protest tegen het recente geweld en de onderdrukking van de vrouw in Algerije: de vrouw als derde laag in de rij van verdrukten.
Ondanks alle pijn en wanhoop spreekt uit dit verhaal zowel de liefde en passie en de sterke band met het land van herkomst als een flinke dosis hoop en vechtlust. Dit alles maakt het lijden des
[p. 14]
te schrijnender. Mokeddem heeft in dit verhaal willen laten zien dat volgens haar de toekomst van Algerije in de handen van de vrouwen en hun scholing ligt; alleen door bevrijding en opleiding kan de pijn van Kenza's ballingschap worden ingelost.
Het land van herkomst: de schrijfster koestert er heel dubbele gevoelens voor. Enerzijds voelt ze een diepe verbondenheid met de schoonheid en de inwoners van Algerije. Anderzijds ervaart ze een diep gewortelde haat en wrok tegen het fundamentalisme, de terreur en de verdrukking die het haar onmogelijk maken om er te kunnen leven.

Geraadpleegde en aanbevolen literatuur

Azouz Begag, Le gone du Chaâba. Paris: Editions du Seuil (Points. Virgule; V39), 1986.
Azouz Begag, Béni ou le paradis privé, Paris: Editions du Seuil (Points. Virgule; V 69), 1989.
Aïcha Benaïssa & Sophie Ponchelet, Née en France, histoire d'une jeune beure. Paris: Payot/Presses Pocket nr. 3, 1990.
Sakina Boukhedenna, Journal. Nationalité immigré(e). Paris: l'Harmattan, 1987.
Charles Bonn, Anthologie de la littérature algérienne, Paris: Le Livre de Poche, Librairie Générale Française, 1990.
Mehdi Charef, Le thé au harem d'Archi Ahmed, Paris: Mercure de France, 1988.
Marc Chavannes, ‘Wie blijft de verzetsheld, gesprek met de Frans-Algerijnse schrijfster Malika Mokeddem’ In: NRC Handelsblad, CS Literair, 7 januari 1994.
Jean Déjeux, La littérature maghrébine d'expression française. Paris: Que sais-je, Presses universitaires de France, 1992.
Koos Hawinkels (red.), Een kijk op de wereld, intercultureel leesonderwijs. Den Haag: NBLC Uitgeverij; Leuven: Davidsfonds/Infodok, 1995.
Leïla Houari, Zeïda de nulle part. Paris: L'Harmattan, 1985.
Leïla Houari, Quand tu verras la mer. Paris: L'Harmattan, 1988.
Malika Mokeddem, Des rêves et des assassins, Paris: Grasset, 1995.
Hocine Touabti, L'Amour quand-même. Paris: Belfond, 1981.
Malika Wagner, Terminus Nord. Paris: Actes Sud, Presses Pocket, 1992.
https://www.dbnl.org/tekst/_tsj001200101_01/_tsj001200101_01_0005.php

--------------------------------------------------------------------------------------------------

Azouz Begag






  
Azouz Begag (Lyon, 5 februari 1957) is een Frans schrijver, politicus en economisch en sociologisch onderzoeker aan het CNRS. Van 2 juni 2005 tot 5 april 2007 was hij de staatssecretaris voor Gelijke Kansen tijdens het kabinet van Dominique de Villepin (UMP). Begag trad af om François Bayrou (MoDem) te steunen tijdens zijn campagne voor de presidentsverkiezingen van 2007. Azouz Begag heeft ongeveer 20 literaire boeken voor volwassenen en kinderen geschreven. Verder was hij ook de scriptschrijver van de Franse film Camping à la ferme, waar hij zijn visie op het multiculturalisme in de hedendaagse Franse maatschappij laat zien. Het bekendste literaire werk van Begag is de autobiografische roman Le Gone du Chaâba, die in 1986 bij uitgeverij Editions du Seuil werd gepubliceerd en in 1997 onder dezelfde titel werd verfilmd.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Azouz_Begag

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------


31 oktober 2005

Politie slaags met Parijse jongeren

In de Franse voorstad Clichy-sous-Bois, ten noordoosten van Parijs, zijn gisteravond voor de vierde achtereenvolgende nacht gevechten uitgebroken tussen jongeren en politie. De politie verrichtte elf aanhoudingen, nadat in eerdere nachten 22 jongeren waren gearresteerd. Tientallen auto's zijn in de vier nachten uitgebrand.






De rellen ontstonden donderdagnacht, nadat twee jongens (15 en 17 jaar) om het leven waren gekomen door electrocutie in een transformatorhuis. Zij waren op de vlucht voor de politie, die bezig was met een identiteitscontrole in de wijk. Clichy-sous-Bois is een van de armste steden rond Parijs, met veel immigranten in precaire omstandigheden.
De rellen voeden het debat over de moeizame relatie tussen autoriteiten en jongeren in de voorsteden. Zaterdag liepen naar schatting 350 inwoners van Clichy mee in een stille mars tegen stigmatisering van jongeren. De kritiek richt zich vooral op minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy. Vrijdag noemde hij de slachtoffers in Clichy ,,inbrekers op de vlucht''. Later trok hij die kwalificatie in. Politie-autoriteiten hebben inmiddels verklaard dat de jongens niet verdacht waren of werden achtervolgd. Volgens inwoners van Clichy werden de jongens het transformatorhuis ingedreven door angst, nadat ze op agenten stuitten na een partijtje voetbal.
Gisteren beloofde minister Sarkozy in een tv-interview ,,nultolerantie voor geweld in de steden, net als voor criminaliteit in het algemeen''. Vorige week sprak hij in een andere Parijse voorstad, Argenteuil, van ,,gespuis'' waarvan hij de overige inwoners zal ,,bevrijden''. Minister Azouz Begag (Gelijke Kansen) veroordeelde deze termen gisteren, zonder Sarkozy bij naam te noemen. Volgens opiniepeilingen vergroten ferme uitspraken over veiligheid de populariteit van Sarkozy, die in 2007 tot Frans president gekozen wil worden.

Paul Éluard





Paul Éluard, pseudoniem van Eugène Émile Paul Grindel, (Saint-Denis, 14 december 1895 – Parijs, 18 november 1952) was een Frans dichter. Éluard is een van de bekendste Franse surrealisten. Zijn bekendste bundel is Capitale de la Douleur uit 1926.


Paul ÉLUARD (1895-1952)

Sa biographie

Portrait de Paul ÉLUARD
Paul Éluard, de son vrai nom Eugène Émile Paul Grindel (14 décembre 1895 à Saint-Denis – 18 novembre 1952 à Charenton-le-Pont ), est un poète français.

C’est à l’âge de vingt et un ans qu’il choisit le nom de Paul Éluard, hérité de sa grand-mère, Félicie. Il adhère au dadaïsme et est l’un des piliers du surréalisme en ouvrant la voie à une action artistique engagée. Il est connu également sous les noms de plume de Didier Desroches et de Brun.

Atteint de tuberculose à l’âge de seize ans, après une enfance heureuse, il est contraint d’interrompre ses études. En Suisse, au sanatorium de Davos, il rencontre une jeune russe, Helena Diakonova, qu’il surnomme Gala. Il l’épouse le 21 février 1917. Son impétuosité, son esprit de décision, sa grande culture impressionnent le jeune Éluard qui prend avec elle son premier élan de poésie amoureuse, un élan qui se prolongera dans tous ses écrits. Elle dessine son profil, et il ajoute à la main : « Je suis votre disciple ». Ils lisent ensemble les poèmes de Gérard de Nerval, Charles Baudelaire, Lautréamont et Guillaume Apollinaire. Le 11 mai 1918, il écrit à l’un de ses amis : « J’ai assisté à l’arrivée au monde, très simplement, d’une belle petite fille, Cécile, ma fille ».

En 1918, lorsque la victoire est proclamée, Paul Éluard allie la plénitude de son amour à une profonde remise en question du monde : c’est le mouvement Dada qui va commencer cette remise en question, dans l’absurdité, la folie, la drôlerie et le non-sens. C’est ensuite le surréalisme qui lui donnera son contenu. Juste avant les surréalistes, les dadaïstes font scandale. Éluard, ami intime d’André Breton, est de toutes les manifestations dada. Il fonde sa propre revue, « Proverbe », dans laquelle il se montre, comme Jean Paulhan, obsédé par les problèmes du langage. Tous deux veulent bien contester les notions de beau / laid, mais refusent de remettre en question le langage lui-même. En 1920, Éluard est le seul du groupe à affirmer que le langage peut être un « but », alors que les autres le considèrent surtout comme un « moyen de détruire ».

En 1922, il promet à André Breton de « ruiner la littérature » et de ne plus rien produire. Le 24 mars 1924, il embarque à Marseille pour un voyage autour du monde. Le lendemain, paraît le recueil « Mourir de ne pas mourir » qui porte en exergue « Pour tout simplifier je dédie mon dernier livre à André Breton ». Il est de retour à Paris au début du mois d’octobre comme si de rien n’était. Breton en dit : « Alors il m’a mis un petit mot, qu’il m’attendait hier [au café]. Cyrano, ni plus ni moins. C’est bien le même, à n’en pas douter. Des vacances, quoi ! ». Tout naturellement, il participe au pamphlet « Un cadavre » écrit par les surréalistes en réaction aux funérailles nationales faites à l’écrivain Anatole France.

Toute la vie d’Éluard se confond à présent avec celle du mouvement surréaliste. C’est cependant lui qui échappe le mieux à la réputation de violence et qui est le mieux accepté comme écrivain par la critique traditionnelle. Éluard se plie à la règle surréaliste résumée par cette phrase du Lautréamont : « La poésie doit être faite par tous, non par un ». Avec Benjamin Péret, il écrit « 152 poèmes mis au goût du jour ». Avec André Breton, « Au défaut du silence » et « L’Immaculée Conception ». Avec Breton et René Char, « Ralentir travaux ».

Dès 1925, il soutient la révolte des Marocains et en janvier 1927, il adhère au parti communiste français, avec Louis Aragon, Breton, Benjamin Péret et Pierre Unik. Ils s’en justifient dans le tract collectif, « Au grand jour ».

C’est aussi l’époque où il publie deux recueils essentiels : « Capitale de la douleur » (1926) et « L’Amour la poésie » (1929).

En 1928, malade, il repart dans un sanatorium avec Gala, où ils passeront leur dernier hiver ensemble. C’est à ce moment que Gala rencontre Salvador Dali, et que Paul Éluard fait la connaissance de Nusch. Il dit à Gala : « Ta chevelure glisse dans l’abîme qui justifie notre éloignement. »

Les années 1931-1935 comptent parmi les plus heureuses de sa vie. Marié avec Nusch en 1934, il voit en elle l’incarnation même de la femme, compagne et complice, sensuelle et fière, sensible et fidèle. En 1931, il s’insurge contre l’Exposition coloniale organisée à Paris et signe un tract où est écrit : « Si vous voulez la paix, préparez la guerre civile ». Exclu du parti communiste, il continue sa lutte pour la révolution, pour toutes les révolutions.

Ambassadeur du surréalisme, il voyage dans toute l’Europe. À Prague en mars 1935, avec Breton, où ils sont chaleureusement accueillis, l’organe du parti communiste hongrois les présente comme deux poètes, les plus grands de la France contemporaine. En Espagne en 1936. Il apprend le soulèvement franquiste, contre lequel il s’insurge violemment. L’année suivante, le bombardement de Guernica lui inspire le poème « Victoire de Guernica ». Pendant ces deux années terribles pour l’Espagne, Éluard et Picasso ne se quittent guère. Le poète dit au peintre : « Tu tiens la flamme entre tes doigts et tu peins comme un incendie ».

Mobilisé dès septembre 1939 dans l’intendance, il s’installe avec Nusch à Paris après l’armistice (22 juin 1940). En janvier 1942, il s’installe chez des amis près de Vézelay (Christian et Yvonne Zervos), à proximité des maquis. Éluard demande sa réinscription, clandestine, au parti communiste. Les vingt et une strophes de « Liberté » sont parachutées par les avions anglais à des milliers d’exemplaires au-dessus de la France (ce poème est mis en musique par Francis Poulenc en 1944).

En 1943, avec Pierre Seghers et Jean Lescure, il rassemble les textes de nombreux poètes résistants et publie « L’Honneur des poètes ». Face à l’oppression, les poètes chantent en chœur l’espoir, la liberté. C’est la première anthologie d’Éluard où il montre sa volonté d’ouverture et de rassemblement. À la Libération, il est fêté avec Louis Aragon comme le grand poète de la Résistance.

Avec Nusch, il multiplie tournées et conférences. Mais le 28 novembre 1946, pendant un séjour en Suisse, il reçoit un appel téléphonique lui apprenant la mort subite de Nusch, d’une hémorragie cérébrale.

Quelques amis intimes lui redonnent peu à peu le « dur désir de durer » et il retrouve force dans l’amour de l’humanité. Son recueil « De l’horizon d’un homme à l’horizon de tous » retrace ce cheminement qui mène Éluard de la souffrance à l’espoir retrouvé.

En avril 1948, Paul Éluard et Picasso sont invités à participer au Congrès pour la paix à Wroclaw (Pologne). En juin, Éluard publie des « Poèmes politiques » préfacés par Louis Aragon. L’année suivante, au mois d’avril, c’est en tant que délégué du Conseil mondial de la paix qu’Éluard participe aux travaux du congrès qui se tient à la salle Pleyel à Paris. Au mois de juin, il passe quelques jours auprès des partisans grecs retranchés sur le mont Grammos face aux soldats du gouvernement grec. Puis il se rend à Budapest pour assister aux fêtes commémoratives du centenaire de la mort du poète Sándor Petőfi. Il y rencontre Pablo Neruda. En septembre, il est à Mexico pour un nouveau congrès de la paix. Il rencontre Dominique Lemor avec qui il rentre en France. Ils se marieront en 1951. Éluard publie cette même année le recueil « Le Phénix » entièrement consacré à la joie retrouvée.
En 1950, avec Dominique, il se rend à Prague pour une exposition consacrée à Vladimir Maïakovski, à Sofia en tant que délégué de l’association France-URSS, et à Moscou pour les cérémonies du 1er Mai.

En février 1952, Paul Éluard est à Genève pour une conférence sur le thème « La Poésie de circonstance ». Le 25 février, il représente « le peuple français » à Moscou pour commémorer le cent cinquantième anniversaire de la naissance de Victor Hugo.

Le 18 novembre 1952 à neuf heures du matin, Paul Éluard succombe à une crise cardiaque à son domicile, 52 avenue de Gravelle à Charenton-le-Pont. Les obsèques ont lieu le 22 novembre au cimetière du Père-Lachaise. Le gouvernement refuse les funérailles nationales.
Robert Sabatier déclare : « Ce jour-là, le monde entier était en deuil ».
http://www.unjourunpoeme.fr/auteurs/eluard-paul

 

 
https://eluard.org/



Et un sourire - Paul Éluard

La nuit n'est jamais complète.
Il y a toujours puisque je le dis
Puisque je l'affirme
Au bout du chagrin,
une fenêtre ouverte
une fenêtre éclairée
Il y a toujours un rêve qui veille
désir à combler
faim à satisfaire
un cœur généreux
une main tendue
une main ouverte
des yeux attentifs
une vie : la vie à se partager.


Liberté - Paul Eluard   
Sur mes cahiers d’écolier 
Sur mon pupitre et les arbres
Sur le sable sur la neige
J’écris ton nom

Sur toutes les pages lues
Sur toutes les pages blanches
Pierre sang papier ou cendre
J’écris ton nom

Sur les images dorées
Sur les armes des guerriers
Sur la couronne des rois
J’écris ton nom

Sur la jungle et le désert
Sur les nids sur les genêts
Sur l’écho de mon enfance
J’écris ton nom

Sur les merveilles des nuits
Sur le pain blanc des journées
Sur les saisons fiancées
J’écris ton nom

Sur tous mes chiffons d’azur
Sur l’étang soleil moisi
Sur le lac lune vivante
J’écris ton nom

Sur les champs sur l’horizon
Sur les ailes des oiseaux
Et sur le moulin des ombres
J’écris ton nom

Sur chaque bouffée d’aurore
Sur la mer sur les bateaux
Sur la montagne démente
J’écris ton nom

Sur la mousse des nuages
Sur les sueurs de l’orage
Sur la pluie épaisse et fade
J’écris ton nom

Sur les formes scintillantes
Sur les cloches des couleurs
Sur la vérité physique
J’écris ton nom

Sur les sentiers éveillés
Sur les routes déployées
Sur les places qui débordent
J’écris ton nom

Sur la lampe qui s’allume
Sur la lampe qui s’éteint
Sur mes maisons réunies
J’écris ton nom

Sur le fruit coupé en deux
Du miroir et de ma chambre
Sur mon lit coquille vide
J’écris ton nom

Sur mon chien gourmand et tendre
Sur ses oreilles dressées
Sur sa patte maladroite
J’écris ton nom

Sur le tremplin de ma porte
Sur les objets familiers
Sur le flot du feu béni
J’écris ton nom

Sur toute chair accordée
Sur le front de mes amis
Sur chaque main qui se tend
J’écris ton nom

Sur la vitre des surprises
Sur les lèvres attentives
Bien au-dessus du silence
J’écris ton nom

Sur mes refuges détruits
Sur mes phares écroulés
Sur les murs de mon ennui
J’écris ton nom

Sur l’absence sans désir
Sur la solitude nue
Sur les marches de la mort
J’écris ton nom

Sur la santé revenue
Sur le risque disparu
Sur l’espoir sans souvenir
J’écris ton nom

Et par le pouvoir d’un mot
Je recommence ma vie
Je suis né pour te connaître
Pour te nommer
Liberté.

Air vif - Paul Éluard 
J’ai regardé devant moi
Dans la foule je t’ai vue
Parmi les blés je t’ai vue
Sous un arbre je t’ai vue
Au bout de tous mes voyages
Au fond de tous mes tourments
Au tournant de tous les rires
Sortant de l’eau et du feu
L’été l’hiver je t’ai vue
Dans ma maison je t’ai vue
Entre mes bras je t’ai vue
Dans mes rêves je t’ai vue
Je ne te quitterai plus.

Certitude - Paul Éluard 
Si je te parle c’est pour mieux t’entendre
Si je t’entends je suis sûr de comprendre
Si tu souris c’est pour mieux m’envahir
Si tu souris je vois le monde entier
Si je t’étreins c’est pour me continuer
Si nous vivons tout sera à plaisir
Si je te quitte nous nous souviendrons
Et nous quittant nous nous retrouverons.

 La terre est bleue - Paul Éluard 
La terre est bleue comme une orange
Jamais une erreur les mots ne mentent pas
Ils ne vous donnent plus à chanter
Au tour des baisers de s’entendre
Les fous et les amours
Elle sa bouche d’alliance
Tous les secrets tous les sourires
Et quels vêtements d’indulgence
À la croire toute nue.
Les guêpes fleurissent vert
L’aube se passe autour du cou
Un collier de fenêtres
Des ailes couvrent les feuilles
Tu as toutes les joies solaires
Tout le soleil sur la terre
Sur les chemins de ta beauté.

Nous deux - Paul Éluard

Nous deux nous tenant par la main
Nous nous croyons partout chez nous
Sous l’arbre doux sous le ciel noir
Sous tous les toits au coin du feu
Dan la rue vide en plein soleil
Dans les yeux vagues de la foule
Auprès des sages et des fous
Parmi les enfants et les grands
L’amour n’a rien de mystérieux
Nous sommes l’évidence même
Les amoureux se croient chez nous.

La Courbe de tes yeux - Paul Éluard

La courbe de tes yeux fait le tour de mon coeur,
Un rond de danse et de douceur,
Auréole du temps, berceau nocturne et sûr,
Et si je ne sais plus tout ce que j'ai vécu
C'est que tes yeux ne m'ont pas toujours vu.
Feuilles de jour et mousse de rosée,
Roseaux du vent, sourires parfumés,
Ailes couvrant le monde de lumière,
Bateaux chargés du ciel et de la mer,
Chasseurs des bruits et sources des couleurs,

Parfums éclos d'une couvée d'aurores
Qui gît toujours sur la paille des astres,
Comme le jour dépend de l'innocence
Le monde entier dépend de tes yeux purs
Et tout mon sang coule dans leurs regards. 


http://eluardexplique.free.fr/